Mijn Niemandsland is gegenereerd door AI. Zowel in tekst als in beeld. Het enige menselijke in dit proces is de beginvraag. Een lichtelijk surrealistische beginvraag over onze huidige werkelijkheid. De kunstmatige intelligentie geeft antwoord. Is dit de nieuwe werkelijkheid ?
Stoelwarmte.
De vrouw was vertrokken, maar onder zijn hand bleef de stoel warm. Hij had alleen willen kijken of ze iets vergeten was. Dat bleek inderdaad het geval: een kleine hoeveelheid aanwezigheid, zonder naam of eigendomsbewijs. Hij hield zijn hand stil. Bewaren hielp niet; de warmte verdween juist terwijl niemand haar gebruikte. Een andere vrouw vroeg of de plaats vrij was. Hij had kunnen zeggen dat de vorige bezoeker nog niet helemaal was afgekoeld. In plaats daarvan schoof hij de stoel naar achteren. Ze ging zitten, keek even verrast en trok haar handschoenen uit. Hij nam zijn eigen plaats weer in. Ook daar was iets van hem achtergebleven. Hoe leeg was een stoel eigenlijk zodra iemand opstond?
Duimverlof.
Op maandag gingen Rubens duimen naast de andere vingers staan. Tegenover de rest wilden ze niet meer. Tandenpoetsen duurde twintig minuten. Een kennis sprak over een evolutionaire terugval, maar kon niet uitleggen hoe Ruben zijn broek moest dichtmaken. Op kantoor kreeg hij een presentatie over wendbaarheid. De afstandsbediening gleed uit zijn hand. Zijn buurvrouw hielp grotere grepen op de keukenkasten schroeven. Ze noemde het geen overwinning. Na drie weken werkte zijn linkerduim weer mee. De rechter bleef bij zijn besluit. Ruben hield de nieuwe grepen en de matjes onder zijn kommen. Met links opende hij een fles, met rechts schonk hij in. Waarom zou alles terug moeten naar de oorspronkelijke stand?
Reserveknoop.
Ik zit aan de binnenkant van de jas. Vier gaten heb ik, maar ik sluit niets. Aan de voorkant werken er vijf. Om daar terecht te komen moet één van hen verdwijnen. Soms hoor ik een draadje trekken en hoop ik even dat er eindelijk iets nodig zal zijn waarvoor ik geschikt ben. Daarna schaam ik me. Vandaag bleven alle vijf open. Het werd lente. De eigenaar droeg de jas over zijn arm en voor het eerst zag ik de straat, ondersteboven maar werkelijk de straat. Vanavond hangen we weer aan de haak. Alle vijf zijn er nog. Niemand heeft mij nodig gehad. Zou ik die laatste zin ooit als goed nieuws kunnen horen?
Veterplicht.
Toen hij bukte om zijn veter te strikken, boog de gevel mee. Hij kruiste de uiteinden en het gebouw ging rechtop staan. De stad had haar verticale toestand blijkbaar aan zijn rechterschoen toevertrouwd. Zijn veter was versleten. Zijn knieën waren niet geraadpleegd. Een vrouw parkeerde haar boodschappentrolley en hield de bovenste lus vast. Ze vroeg niets. Misschien zag ze de balkons bewegen; misschien alleen iemand die te lang gebukt stond. Hij trok de knoop aan. Overal kregen dingen hun gewone gewicht terug. Een fiets viel om. Hij liet hem liggen. Eerst moest hij zelf nog overeind komen. Daarna liep hij verder met een dubbele knoop. Moest de hele stad weten waarom hij zo voorzichtig stapte?
Draagkracht.
De tafel wiebelde zodra iemand een elleboog neerlegde. De ober vouwde een kassabon en schoof hem onder de kortste poot. Twee koffie en een tosti hielden voortaan hout, porselein en een gesprek overeind. Voor het eerst leverde de rekening iets op nadat ze betaald was. Onder de tafel trok vocht in het papier. Het woord totaal vervaagde. Tegenover mij begon de vrouw eindelijk aan het verhaal waarvoor ze gekomen was. Haar handen lagen stil naast het kopje. Achter haar haalde de ober een emmer tevoorschijn. Ik stak mijn hand op en vroeg of de vloer voorlopig droog mocht blijven. Hoeveel kon er instorten wanneer niemand meer wist wat zo'n bonnetje droeg?
Binnenrand.
Ze wilde alleen de buitenkant schoonmaken. Maar de papieren band had een halve draai, één zijde en één rand. Haar doek kwam zonder oversteken aan de binnenkant terecht. De lus groeide. Even later lagen haar sleutels buiten de kamer, hoewel ze nog gewoon op tafel lagen. Ze liep de doek achterna en vond haar eigen gang aan de verkeerde kant van het raam. Bij de lijmnaad stopte ze. Ze trok het papier los. De kamer kreeg weer een binnenkant en de sleutels werden bereikbaar. Op de strook zat nog stof. Zelfs in een wereld met maar één zijde had ze blijkbaar een kant overgeslagen. Ze vouwde het papier op en schoof het onder de wiebelende tafelpoot. Daar hielp het meteen.
Schouderdelta.
Over Ada's schouders verschenen donkere ribbels, als plooien in gestolde lava. Iedere ingehouden schouderophaling liet een richel achter. Een week familiebezoek bracht een heel dal voort. De fotograaf bood aan het op haar pasfoto weg te werken. Haar dochter vroeg liever of ze een ruimere kraag wilde. Toen de buurman naar haar huid vroeg, zei Ada dat ze liever over zijn hortensia's sprak. Die avond groeide er niets bij. De oude vormen bleven. Eén richel hield inmiddels haar tasband op zijn plaats. Ze koos de onbewerkte pasfoto: alleen de kraag stond een beetje omhoog. Hoeveel onuitgesproken antwoorden mocht iemand eigenlijk op haar schouders dragen?
Kieuwpauze.
Marleens kieuwen werkten alleen tijdens stiltes in vergaderingen. Zodra iemand het zwijgen uitlegde als instemming, klapten ze dicht. Personeelszaken richtte een werkgroep op. De voorzitter telde hardop af, vroeg halverwege hoe de stilte beviel en gaf achteraf een toelichting. Haar halsplooien bewogen niet. Op vrijdag bleef ze na het overleg zitten. De schoonmaker schoof stoelen over het linoleum. Een emmer tikte tegen de deur. Toch gingen de kieuwen open. Niemand had het moment alvast een bestemming gegeven. Maandag schreef ze zich uit bij de werkgroep. Daar kwam geen antwoord op. Dat hielp onmiddellijk. Hadden haar kieuwen ooit werkelijk stilte nodig gehad?
Vooruitgeur.
Haar parfum kwam altijd twee minuten eerder. Het koos een stoel, maakte een goede indruk en beloofde dingen waarvoor haar agenda geen ruimte had. Zelf arriveerde ze daarna met een lichaam dat bij verkeerslichten moest wachten. De ober nam haar jas aan alsof zij een bijlage was bij iemand die al binnen was. Vanavond glimlachte de man tegenover haar met een vertrouwdheid die ze nog niet verdiend had. Ze ging zitten en legde haar handen op tafel. U ruikt vertrouwd, zei hij. Dat gedeelte van mij is vaker op tijd, antwoordde ze, maar over de rest moet ik u nog iets vertellen. Hij leunde naar voren. Boven hen vervloog de geur. Beneden begon zij zelf.
Raakvlak.
De lijn en de cirkel ontmoetten elkaar iedere avond op één punt. Ze waren volmaakt nabij, maar niemand kon er zitten. Het punt had geen oppervlak. Een tafeltje ernaast veroorzaakte ruzie over binnen en buiten; ondertussen werd de thee koud. De vrouw die het had gebracht schoof een papiertje onder de kortste poot. Dat hielp tenminste tegen het wiebelen. Ten slotte werd de lijn een strook stof en de cirkel een houten ring. Hun contact kreeg vezels, splinters en kleine openingen. De vrouw schonk nieuwe thee in. Niemand paste nog precies in de oorspronkelijke tekening, maar iedereen kon blijven. Het ideale raakpunt lag leeg tussen hen in. Hoe nauwkeurig moest een ontmoeting zijn voordat er iemand bij kon zitten?
Naloop.
Ze legde haar oorbel op het kastje. In de spiegel droeg ze hem nog. Pas drie seconden later kwam daar een hand omhoog. Ze knipperde. De ander volgde, zorgvuldig, alsof iedere beweging eerst begrepen moest worden. Lippenstift bijwerken bleek onmogelijk: ze bleef fouten herstellen die inmiddels verdwenen waren. Ze legde ook de tweede oorbel neer. Achter het glas was iemand nog niet helemaal terug van het feest. De muziek lag er dichterbij, de laatste woorden waren minder lang geleden gezegd. Bij de lichtschakelaar hield ze haar hand stil. Ze wachtte tot de ander haar schouders liet zakken. Drie seconden maar. Waarom had ze altijd gevonden dat herkenning onmiddellijk moest gebeuren?
Drempelrecht.
Ze hield de deur met haar schoen open voor een man met twee boodschappentassen. Meteen bleef de regen in de opening hangen. De gang werd langer. Hij was nog buiten, maar werd blijkbaar al ontvangen; het gebouw moest daar ruimte voor maken. De man probeerde sneller te lopen. Ze schudde haar hoofd. Hij mocht de knieën gebruiken die hij had. Bij de drempel scheurde een tas. Twee uien rolden over de mat. Haar voet bleef staan terwijl ze samen de boodschappen opraapten. Pas na de laatste ui liet ze de deur los. De regen viel in één klap neer en het portiek kreeg zijn gewone afmetingen terug. In de lift bukte ze om haar losse veter te strikken. Daar had ze nu beide handen voor.
Broodbreuk.
Toen hij het brood brak, viel de straat stil. De tram schoof zonder geluid voorbij en de regen bereikte onhoorbaar de goot. Zodra hij een hap nam, kwam de herrie terug. Naast hem probeerde een vrouw haar tas dicht te ritsen. De voering zat vast. Hij brak nog een stuk af. In de stilte kreeg ze de stof los. Ze ging naast hem zitten en nam een hoek van het brood. Samen aten ze onder de lekkende luifel. Bij iedere breuk werd de avond een paar seconden stiller. Hun problemen bleven bestaan, maar hoefden even niets te zeggen. Toen ze vertrok, hield hij één klein stuk over. Dat at hij in één hap. De laatste stilte hoefde nergens meer voor te dienen.
Opstropen.
Toen ze haar eerste mouw oprolde, werd het aan die kant van haar lichaam avond. Haar andere pols zat nog op kantoor. Iemand moest daar waarschijnlijk nog vragen of de bijlage was meegestuurd. Ze sloeg ook de tweede mouw om. De werkdag verdween in twee rollen katoen bij haar ellebogen. Op het terras rustten haar blote onderarmen naast een glas. Niemand hoefde iets van haar. Toch trok één plooi een beetje: daar zat een gesprek dat niet goed was afgelopen. Ze maakte de stof niet los. Sommige uren moesten eerst zachter worden. Tegenover haar vroeg iemand hoe haar dag was geweest. Ze keek naar haar mouwen. Hoeveel ervan moest ze daarvoor weer uitvouwen?
Kommakamer.
Haar kamer mat drie meter en een beetje. Toen ze nauwkeuriger ging meten, schoof de plint opzij. Achter de kast verscheen een deur. Iedere extra decimaal opende een volgende kamer, kleiner en toch groot genoeg om binnen te gaan. In de zevende stond een stoel met kleren die ze misschien ooit had kunnen dragen. Ze vroeg zich vooral af wie al die kamers moest schoonhouden. Ze liep terug en zette het meetapparaat uit. De deuren sloten. Alleen achter de kast bleef een kier met tocht. Ze drukte er vilt in en zette thee. Haar kamer mat weer drie meter en een beetje. Dat beetje bezat nu een onoverzienbaar huishouden, maar hoefde zij daarom overal de ramen open te zetten?
Naderhuis.
Bij iedere stap legde hij de helft van de resterende afstand naar de keuken af. Daarna moest hij een seconde wachten. De stappen werden kleiner, de seconden niet. De ketel zong. Vlak voor de drempel ging hij zitten. Volgens zijn knie was de vloer koud; volgens de gang was hij nog steeds onderweg. De stoom trok zonder moeite naar hem toe. Hij zette een bereikbaar kopje in haar baan. Onderaan lag nog een theezakje van gisteren. Langzaam verzamelde zich water. Het duurde lang en de thee smaakte nergens bijzonder naar, maar uiteindelijk kon hij drinken. De drempel bleef onbereikbaar. Hij zette het kopje naast zich. Moest hij nog aankomen als de thee hem inmiddels had gevonden?
Labelzorg.
Het waslabel in haar blouse kon zelf niet tegen wassen. Er hing een kleiner label aan met instructies voor het eerste, en daaraan weer een kleiner. In de wasserette trok ze een eindeloze witte keten uit de zijnaad. Het derde strookje mocht niet eens aan vocht denken. De koffievlek waarvoor ze gekomen was bleef ondertussen zitten. Ze maakte het bundeltje voorzichtig los en legde het op een droog schoteltje. Daarna waste ze de vlek met lauw water. De koffie liet los. De kleur bleef. Buiten regende het nog. Ze nam de blouse over haar arm en stopte de labels in haar jaszak, waar ze voorlopig alleen voor elkaar hoefden te zorgen. Kon iets schoon worden voordat alle voorwaarden daarvoor geregeld waren?
Nulgewicht.
De lege schaal werd steeds zwaarder. Er zou iemand komen eten, maar het bezoek was nog niet bevestigd. Alles wat er misschien in zou liggen drukte alvast op de bodem: soep, brood, een gesprek. De man stelde de weegschaal opnieuw op nul. De tafel kraakte. Een appel in de schaal hielp even. Nu had tenminste iets een vorm. Tegen de avond zette hij de schaal op de grond en sneed een appel voor zichzelf. Toen belde de ander af. Het extra gewicht verdween langzaam, alsof de afwezigheid eerst haar voeten moest verzetten. Hij tilde de schaal weer op. Gewoon aardewerk, met nog één appel erin. De stoel tegenover hem bleef leeg. Hoeveel lichter kon een avond worden door eindelijk te weten wat er niet kwam?
Achteroor.
Boris ontdekte het oor tussen zijn schouderbladen tijdens een tramrit. Zijn winterjas klonk als onweer in een papieren zak. Het nieuwe oor hoorde geen geheimen en voorspelde niets. Het hoorde vooral stof. Op het formulier van de gehoortest tekende de medewerker een extra vakje: achter overbelast. Zijn vrienden vonden dat hij er een podcast over moest beginnen. De kleermaker maakte een klein tentje in de voering, zodat niets de oorschelp raakte. Boris trok zijn jas aan. Voor het eerst in weken klonk de tram als een tram. Op het bonnetje stond: ruimte achter, zeven centimeter. Hij betaalde en stopte de rekening in zijn borstzak. Daar kon het oor niet bij. Misschien mocht een lichaamsdeel ook bestaan zonder dat iedereen er een toekomst in hoorde?
Restmens.
Er stonden elf stoelen voor tien mensen. Bij de volgende telling waren het tien stoelen en negen mensen, hoewel niemand was vertrokken. Steeds bleef één plaats over. De voorzitter verdeelde de lege ruimte over de kring. Meteen verdwenen er woorden tussen de stoelen. Een vraag bereikte de buurman zonder werkwoord. Ze schoof alles terug en liet één stoel leeg. Niemand telde opnieuw. Langzaam kon de vergadering beginnen. Men besprak de kapotte lamp en de zoekgeraakte reservesleutel. Toen er werd aangeklopt, bleek het een verkeerd bezorgd pakket. Ze legde het op de vrije zitting. De stoel had de hele avond niets bijgedragen, behalve de mogelijkheid iets te ontvangen dat niet op de agenda stond. Hoeveel ruimte mocht daarvoor overblijven?
Reserveelleboog.
Halverwege zijn onderarm groeide een tweede elleboog. Bij het roeren in de koffie werkten de twee gewrichten elkaar tegen. Hij schoof de kop heen en weer om de suiker alsnog op te lossen. Op kantoor zag men mogelijkheden. Misschien kon hij voortaan achter kasten komen. De personeelsmedewerker vroeg of zijn functieomschrijving moest worden aangepast. Hij zei dat vooral zijn boterham dubbelklapte. Dat werd niet genoteerd. Zijn buurvrouw tornde de mouw open en zette er een driehoekje katoen tussen. Ze vroeg niet waarvoor het gewricht diende. Er moest ruimte komen voor iets dat er inmiddels was. Als dank repareerde hij haar kastdeurtje. De extra elleboog bleek daarbij overbodig. Het lukte op de gewone manier, langzaam en met het verkeerde gereedschap. Moest alles wat erbij kwam ook ergens goed voor zijn?
Klemtijd.
Een vergeten lijmklem zit al twaalf jaar onder een tafel. Wanneer een volwassen dochter haar losdraait, vallen vader en dochter niet uit elkaar, maar wel de tijden waarin ze zitten. Zijn kant van het blad blijft in een oude ochtend hangen; haar kant bevat de jaren daarna. De klem bewaart een verbinding die nooit gelegenheid heeft gekregen te drogen. Klemtijd herneemt het blogartikel over de vergeten lijmklem en maakt het voorwerp verantwoordelijk voor iets concreters dan verwaarlozing. Vasthouden kan ook verhinderen dat er een nieuw ogenblik tussen mensen ontstaat. Toch helpt het niet om het gereedschap haastig los te rukken. Er wordt eerst koffie gedronken, ieder in het eigen licht. Pas daarna komt er ruimte voor een gezamenlijke middag. De tafel blijft heel, al staat er een afdruk in het hout. Die hoeft voorlopig niet te worden weggewerkt. Er kan later altijd een schaal op, wanneer iemand opnieuw komt eten.
Hoekschuld.
Een man tekent een driehoek voor een nieuwe plank, maar de hoeken komen niet aan hun som. Er ontbreken tien graden. Het papier toont op die plaats een echte kier. De figuur probeert haar tekort uit de kamer te halen: de deur wordt smaller, het raam scheef en de stoel onbetrouwbaar. Hoekschuld speelt met een onmogelijke uitzondering op gewone vlakke meetkunde. De man wil geen ander universum betrekken om een kast te repareren. Hij ontdekt alleen dat aanvulling elders iets wegneemt, alsof alle beschikbare richting al ergens is toegewezen. Zelfs een correct getekende tweede driehoek wordt als voorraad beschouwd. De oplossing ligt in het loslaten van de eis dat alles gesloten moet zijn. Drie losse stroken kunnen geen driehoek vormen, maar hoeven ook geen hoekschuld te dragen. Eén ervan vindt een bestemming tussen twee bladzijden. De plank moet nog altijd worden gemaakt, alleen niet meer ten koste van de kamer.
