Chips.

Je steekt je hand in een zak bolognesechips en maakt daar, zonder het zo te noemen, meteen een klassieke bestuurlijke fout. Niet omdat je honger hebt, maar omdat je denkt dat je capaciteit groter is dan hij werkelijk is. Je neemt niet wat past. Je neemt wat mogelijk lijkt. Dat is iets anders. Dat is al bijna politiek.

Want een hand vol chips is zelden alleen een hand vol chips. Het is een miniatuurversie van elk systeem dat zichzelf overschat terwijl het nog bezig is zichzelf te rechtvaardigen. Er is een moment – kort, droog, optimistisch – waarop de greep perfect aanvoelt. Kijk eens, denk je, dit kan best. Dit is efficiënt. Dit scheelt een tweede keer graaien. Dit is daadkracht. Maar dan komt de werkelijkheid, en die heeft geen respect voor ambitie zonder infrastructuur.

De mond blijkt een grens. De wangen blijken geen opslag. De tong, normaal een diplomaat, verandert in een overwerkte grensbeambte die plotseling twintig kruimelige visa tegelijk moet verwerken. Er breekt iets af nog voor het binnen is. Er valt iets op je trui. Je adem moet onderhandelen met een massa gekruide scherven die allemaal tegelijk naar binnen willen. De keel heeft niet gestemd voor deze uitbreiding. Toch moet hij ermee werken.

Daar zit het directe verband met de algemene wereldpolitiek: niet in leiders, landen of de gebruikelijke kaarten met pijlen, maar in de fundamentele vergissing dat meer tegelijk ook automatisch beter is. Dat een systeem eindeloos kan opnemen zonder vormverlies. Dat je complexiteit kunt samenballen tot één kordate beweging en dan verbaasd kunt zijn wanneer alles begint te verkruimelen aan de randen.

De wereldpolitiek, in haar breedste en meest onpersoonlijke vorm, is vaak niet de kunst van het grote plan, maar de tragedie van de te volle hand. Te veel belangen tegelijk vastgrijpen. Te veel grondstoffen, te veel invloed, te veel markten, te veel zekerheden. En altijd diezelfde gedachte: als we het nu eenmaal in handen hebben, moeten we het ook meteen kunnen doorslikken. Alsof bezit hetzelfde is als verwerkbaarheid. Alsof schaal geen gevolgen heeft. Alsof omvang vanzelf orde schept.

Maar de bolognesechip weet beter. De bolognesechip is fel gekruid bewijs dat overmaat zich niet laat coördineren. Hij breekt op onverwachte plekken. Hij laat residu achter. Hij dwingt tot onwaardige correcties. Je moet met je lippen manoeuvreren, met je vingers reddingswerk verrichten, met een halve hoest proberen te herstellen wat in de planningsfase al fout zat. Intussen kijkt de buitenwereld toe, en precies dat maakt het politiek: de zichtbaarheid van de misrekening.

En toch is dit geen somber beeld. Integendeel. Er schuilt iets nuttigs in de schaamte van de overvolle hand. Het herinnert eraan dat maat houden geen gebrek aan visie is, maar een voorwaarde voor beschaving. Niet alles wat je kunt grijpen, kun je dragen. Niet alles wat je draagt, kun je verwerken. Niet alles wat je verwerkt, had je moeten willen.

Dus daar sta je dan, met te veel chips, rood poeder aan je vingers, een mond die meer taken heeft dan goed voor hem is. En ergens, diep onder dat knarsende teveel, openbaart zich een bestuursles van wereldformaat: de grootste ontsporingen beginnen zelden met kwaadaardigheid. Vaak beginnen ze met iets veel lulligers – een hand die denkt dat hij meer aankan dan een mond ooit had beloofd.

Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder