KANT I – DE VAL (HET BEGIN)
Hij laat los zonder het te weten. Of hij wordt losgelaten. Het verschil doet er pas later toe. Acht verdiepingen is geen hoogte, het is een gedachte met versnelling.
De teddybeer valt niet dramatisch. Geen gespreide armen, geen paniek. Zijn lijf volgt de logica van zwaartekracht zoals hij altijd logica heeft gevolgd: gedachteloos. Pluche geeft mee. Naden houden.
Onderweg gebeurt iets wat nergens recht op heeft. Momenten duiken op. Geen herinneringen, want er was niets om te herinneren. Maar ze gedragen zich zo. Fragmenten zonder oorsprong. Een kamer die nooit bestond. Handen die hem vasthielden zonder warmte. Een stem die hem nooit aansprak.
Het besef komt niet als inzicht maar als storing.
Er was geen leven.
Die zin is kaal. Onontkoombaar. En precies daarin wringt iets. Want wie kan dat vaststellen?
De lucht langs zijn vacht wordt sneller. Hij voelt het niet, maar hij merkt het op. Dat verschil is nieuw. Dat verschil is alles.
Zwart-wit maakt hem eerlijker dan kleur ooit zou doen. Bruin zou sentimenteel zijn. Hier is hij een vorm. Een object met een plotselinge gedachte.
Dit is het begin omdat hier de fout ontstaat. Het moment waarop een ding beseft dat het nooit iets is geweest – en daardoor iets wordt.





Geef een reactie