Ontwijken.

Er bestaat een gave die zelden wordt herkend als gave, omdat hij zich afspeelt in het openbaar, tussen haastige schoenen en ongeduldige blikken, precies daar waar lijnen op het asfalt beloven dat oversteken ordelijk en tijdelijk zal zijn, terwijl iedereen diep vanbinnen weet dat orde hier slechts een dun laagje verf is dat elk moment kan barsten.

De gave is dit: het vermogen om mensen te ontwijken terwijl je beweegt in wat bedoeld is als een gezamenlijke handeling, een collectieve afspraak om tegelijk te gaan en tegelijk aan te komen, maar waarin jij – zonder te versnellen, zonder te stoppen – steeds net niet botst, net niet stilstaat, net niet samenvalt met een ander lichaam dat dezelfde belofte volgt.

Je zet een voet vooruit, ziet uit je ooghoek een schouder die te snel komt, een tas die wijkt, een kinderwagen die plots een andere baan kiest, en je lichaam herschrijft ter plekke zijn traject, niet door bewuste berekening maar door een instinct dat zich voedt met millimeters en ademhalingen, waardoor je langs elkaar glijdt alsof er nooit een kruising is geweest, alleen parallelle werkelijkheden die elkaar even aanraken en dan weer loslaten.

Mensen denken vaak dat dit geluk is, of beleefdheid, of een aangeleerde sociale dans, maar zij vergissen zich, want wie deze gave bezit, voelt hoe elke stap een nieuwe vertakking opent, hoe elke kleine vertraging een keten van verschuivingen veroorzaakt waarin gezichten verdwijnen en vervangen worden door andere gezichten, zodat het moment van oversteken zich uitrekt tot een smalle gang zonder uitgang.

De witte strepen onder je voeten – nee, ze blijven ongenoemd, onschuldig, functioneel – vormen geen richting maar een raster, een uitnodiging tot orde die onmiddellijk wordt ondermijnd door lichamen met eigen agenda’s, eigen haast, eigen onuitgesproken overtuiging dat zij er eerst mogen zijn, en juist daar, in dat conflictloze conflict, ontvouwt zich jouw talent.

Je beweegt links omdat rechts al vol is, maar rechts wordt leeg op het moment dat je links kiest, waardoor je middenin blijft hangen, voortgeduwd door beleefde verontschuldigingen die niemand hardop uitspreekt, geleid door knikjes, oogcontacten, halve glimlachen die meer zeggen dan woorden ooit zouden kunnen.

De straat zelf lijkt intussen te ademen, auto’s wachten met een spanning die voelbaar is, motoren brommen als ongeduldige dieren, terwijl jij nog steeds beweegt, nog steeds onderweg bent, maar nooit dichter bij het trottoir aan de overkant komt, alsof afstand hier geen meetbare grootheid is maar een morele toestand.

Sommigen bereiken de andere zijde snel, bijna achteloos, alsof zij door een onzichtbare opening zijn gevallen die zich speciaal voor hen opent en weer sluit, maar jij niet, jij blijft, niet uit onvermogen maar uit perfectie, omdat elke ontwijking slaagt en daardoor het einde telkens een stap opschuift, als een horizon die beleefd achteruitloopt.

En zo ga je verder, tussen voeten en schaduwen, tussen intenties die elkaar net missen, met een lichaam dat feilloos weigert te botsen en daardoor ook weigert aan te komen, terwijl de belofte van aankomst langzaam vervaagt, niet als mislukking maar als bewijs dat de gave zijn werk doet, want wie iedereen weet te ontwijken, bereikt nooit de overkant, en blijft voor altijd onderweg in dat ene, eindeloze moment van oversteken.

Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder