Drie maanden lang bleef het gordijn dicht, niet uit dramatiek maar uit gewoonte die zich langzaam had verdikt tot een zachte barrière tussen binnen en buiten, een textiele muur die het daglicht temperde tot een vaag vermoeden en de tuin reduceerde tot een abstract idee, iets dat bestond in herinnering maar niet in zicht, alsof wat zich daar bevond evengoed opgelost kon zijn in een ondefinieerbare duisternis zonder dat ik het direct zou merken, en wanneer ik op een ochtend besluit het koord vast te pakken en de stof opzij te schuiven, doe ik dat met een lichte aarzeling, alsof ik een verzegelde kamer open waarin de tijd zich ongestoord heeft opgehoopt.
Het gordijn glijdt met een droog geritsel langs de rail, stofdeeltjes lichten kort op in een schuine baan zon die plotseling naar binnen valt, en mijn ogen knipperen terwijl het raam, dat maandenlang een spiegel was voor mijn eigen interieur, opnieuw transparant wordt en de tuin zich aandient in onverwachte volledigheid, niet als een gapende leegte of een vormloze schaduw maar als een verzameling herkenbare contouren: het gras dat nog steeds gras is, zij het iets hoger en minder gedisciplineerd, de struiken die hun takken hebben uitgebreid zonder toestemming te vragen, de tuintafel die onverstoord op haar plek staat alsof zij een wacht heeft gelopen in mijn afwezigheid.
Er was een deel van mij dat, hoe onlogisch ook, had overwogen dat buiten misschien was verdwenen, dat de maanden van niet-kijken een soort ontbinding hadden veroorzaakt waardoor de tuin, onbewaakt door mijn blik, langzaam was opgeslokt door iets onzichtbaars, een zwart gat dat zich voedt met verwaarloosde ruimtes, maar wat ik zie is geen afgrond maar continuïteit, geen leegte maar een stille voortzetting van groei, waarbij klimop zich langs de schutting heeft verplaatst, onkruid zijn eigen plan heeft getrokken tussen de tegels, en een vergeten bloempot koppig een scheut groen omhoog duwt alsof hij mij wil herinneren aan de hardnekkigheid van leven dat geen publiek nodig heeft.
Het licht valt anders dan ik me herinner, scherper misschien, of ben ik het die veranderd is, maar de kleuren, hoewel gedempt door het glas, bezitten een stevigheid die mij geruststelt, een bevestiging dat de wereld buiten mijn kamer niet afhankelijk was van mijn aandacht om te blijven bestaan, dat zij haar eigen ritme heeft gevolgd terwijl ik mij terugtrok achter stof en schaduw, en in dat besef schuilt een merkwaardige opluchting: de angst voor totale verdwijning blijkt ongegrond, de tuin is niet ingestort in kosmische duisternis maar heeft zich eenvoudigweg voortgezet, blad na blad, dag na dag.
Ik blijf even staan met het gordijn half in mijn hand, alsof ik het elk moment weer zou kunnen sluiten om deze bevestiging uit te stellen, maar de openheid voelt minder bedreigend dan ik had verwacht, en terwijl een lichte wind een tak doet bewegen en een vlek zon over het gras schuift, begrijp ik dat sommige ruimtes, hoe lang je ze ook negeert, niet wachten op jouw toestemming om te blijven, dat zij zich handhaven in hun eigen stille volharding, en dat het openen van een gordijn soms minder een onthulling van verlies is dan een onverwachte ontmoeting met iets dat er al die tijd gewoon was.


Geef een reactie