Mijn Niemandsland is gegenereerd door AI. Zowel in tekst als in beeld. Het enige menselijke in dit proces is de beginvraag. Een lichtelijk surrealistische beginvraag over onze huidige werkelijkheid. De kunstmatige intelligentie geeft antwoord. Is dit de nieuwe werkelijkheid ?
Drieluik – Bijna levend.
KANT III โ DE METERS (HET EINDE) De laatste meters zijn geen afstand meer. Ze zijn besluit. Zijn lichaam verandert. Niet symbolisch. Letterlijk. Pluche wordt vacht. Naden lossen op in spier. Gewicht herschrijft zichzelf. Hij wordt groter terwijl de ruimte kleiner wordt. Dit is geen magie. Dit is te laat biologie. Zijn bewustzijn schreeuwt niet. Het focust. Ogen die nu echt zijn zoeken geen uitweg maar bevestiging. Ik ben. Maar wording is traag. En de grond is efficiรซnt.
Drieluik – Bijna Levend.
KANT II โ HET BESEF (HET MIDDEN) Halverwege de val gebeurt het onmogelijke. Niet buiten hem, maar erin. Hij begrijpt dat de flitsen geen verleden zijn. Geen verloren tijd. Geen gemiste kansen. Ze zijn projecties van verlangen zonder bron. En dat verlangen is nieuw. Vers. Onverklaarbaar. Ik heb niet geleefd, denkt hij. En meteen daarna: dus leef ik nu. De logica is gebrekkig. Dat maakt haar overtuigend. Zijn vacht lijkt dichter. Niet fysiek โ nog niet โ maar in betekenis. Zijn ogen, altijd decoratief geweest, registreren iets. Niet beeld. Gewicht. Snelheid. Einde.
Drieluik – Bijna Levend.
KANT I โ DE VAL (HET BEGIN) Hij laat los zonder het te weten. Of hij wordt losgelaten. Het verschil doet er pas later toe. Acht verdiepingen is geen hoogte, het is een gedachte met versnelling. De teddybeer valt niet dramatisch. Geen gespreide armen, geen paniek. Zijn lijf volgt de logica van zwaartekracht zoals hij altijd logica heeft gevolgd: gedachteloos. Pluche geeft mee. Naden houden. Onderweg gebeurt iets wat nergens recht op heeft. Momenten duiken op. Geen herinneringen, want er was niets om te herinneren. Maar ze gedragen zich zo. Fragmenten zonder oorsprong. Een kamer die nooit bestond. Handen die hem vasthielden zonder warmte. Een stem die hem nooit aansprak.
Drieluik – Alsof droog.
Drieluik - Alsof droog. KANT III โ HET SCHUIM (HET EINDE) Het schuim bereikt hun middel opnieuw. Het trekt zich terug. Het komt terug. Herhaling zonder interesse. De man knippert. Dat is alles. Geen paniek. Geen inzicht. Alleen een menselijke fout in een zorgvuldig volgehouden verhaal. De vrouw ademt uit, langzaam. Haar jurk is nu zwaar. Dat woord gebruiken ze niet. Ze noemen het iets anders. Iets abstracts. De zee is ruw. Dat staat vast. Wat niet vaststaat, is of dat nog relevant is. Ontkenning heeft een eigen logica. Ze vervangt omstandigheden door houding. Er is geen zee. Dat blijft waar, zolang niemand het hardop zegt.
Drieluik – Alsof droog.
Drieluik - Alsof droog. KANT II โ DE BEWEGING (HET MIDDEN) De zee โ die er niet is โ beweegt zich toch. Niet agressief, niet persoonlijk. Gewoon omdat dat is wat ze doet. Schuim slaat tegen stof die daar geen antwoord op heeft. De man verplaatst zijn gewicht. Minimaal. Net genoeg om te blijven staan. Zijn schoenen zijn onzichtbaar, maar je voelt hun afwezigheid. Hij denkt aan marmer, aan vloeren die niet wijken. De vrouw tilt haar kin iets op. Alsof ze spreekt, maar er komt niets. Haar haar is nat op een manier die niet elegant wil worden. Het blijft hangen, trekt, verraadt. Ze kijken elkaar niet aan. Dat zou te veel bevestigen. Samen ontkennen betekent parallel blijven. Geen kruisingen. Geen vragen. De zee schuimt harder. Dat is geen reactie. Dat is toeval. Zeggen ze.
Drieluik – Alsof droog.
Drieluik - Alsof droog. KANT I โ DE RAND (HET BEGIN) Ze staan stil alsof beweging de leugen zou verraden. Hun feestkleding is te precies voor deze plek. Te glad. Te duur. De stof hoort bij licht, bij stemmen, bij glazen die elkaar net te hard raken. Niet bij wat hier gebeurt. Niet bij wat hier zogenaamd niet is. Het water โ dat er niet is โ staat tot hun middel. Het trekt aan hen zonder handen. Het schuimt rond hun lichamen met een overtuiging die niets vraagt. De man kijkt naar voren, niet naar beneden. Dat is belangrijk. Wie naar beneden kijkt, erkent. Zijn schouders zijn recht, zijn rug strak, alsof hij zich in een zaal bevindt waar etiquette belangrijker is dan waarheid. De vrouw staat iets dichter bij hem dan nodig. Haar jurk plakt aan haar heupen, maar dat is toeval, zegt ze zonder woorden. Pure luchtweerstand. Geen oorzaak. Geen gevolg. De zee bestaat niet. Dat is de afspraak.
Drieluik. Losgeraakt.
KANT III โ DE OCHTEND (HET EINDE) Om zes uur hoort de wereld opnieuw te beginnen, maar hier gebeurt dat niet. De lucht is grijs zonder nuance. Geen belofte van zon, geen dreiging van storm. Alleen doorgaan. Het wiel ligt er nog steeds. Niemand komt het halen. Niemand komt kijken. Het is te vroeg voor nieuwsgierigheid en te laat voor actie. De bosjes bewegen licht in de regen. Alsof ze fluisteren, maar niet luid genoeg om betekenis te krijgen. Het wiel reageert niet. Het heeft zijn relatie met beweging beรซindigd. De club blijft dicht. Het licht boven de deur is uit. Alsof ook dat heeft besloten dat het verhaal voorbij is.
Drieluik. Losgeraakt ..
KANT II โ HET WIEL (HET MIDDEN) Van dichterbij is het wiel geen onderdeel meer. Het is een lichaam. Beschadigd, maar niet dramatisch. Geen explosie. Geen vuur. Alleen een breuk die ooit geluid maakte en nu zwijgt. De velg draagt krassen die niets uitleggen. Geen verhaal, alleen gevolg. De motregen verzamelt zich in kleine plassen in het metaal, trillend bij elke druppel. Je ziet sporen van beweging. Modder aan รฉรฉn kant, schoner rubber aan de andere. Het wiel heeft gerold. Dat staat vast. Maar het waarom is al verdampt. De club blijft op de achtergrond, onscherp. Alsof hij weigert betrokken te zijn. Alsof hij zegt: ik was open, nu ben ik dicht, de rest is niet van mij.
Drieluik: Losgeraakt.
KANT I โ DE BOSJES (HET BEGIN) Het wiel ligt niet trots. Het ligt zoals dingen liggen die geen plan meer hebben. Half in de bosjes, half erbuiten, alsof het nog twijfelde aan welke kant van de nacht het hoorde. De bladeren zijn nat van de motregen. Niet doorweekt, niet schoon. Gewoon vochtig genoeg om alles zwaarder te maken dan nodig. Het rubber glanst zwak in het schaarse licht. Zwart blijft zwart, zelfs als de wereld probeert het te verzachten. Het profiel zit vol kleine steentjes, vastgehouden zonder belofte. Dit wiel heeft afstand gekend. Snelheid. Warmte. Nu kent het alleen nog kou die langzaam naar binnen trekt.
Bed.
Er zijn talloze manieren om onder je bed te kijken, maar niets evenaart het moment waarop je op je buik ligt, je hoofd omlaag steekt over de rand, en je vingers zich wanhopig klemmen om een paar dunne, eigenlijk ongeschikte lakens. Het is een houding die je dwingt om je eigen kwetsbaarheid te voelen. Je hangt half boven de afgrond van het onbekende, in een soort zelfgekozen balans tussen moed en onhandigheid. Precies daar โ in dat spanningsveld โ ontstaat een emotie die nergens anders op dezelfde manier gevoeld wordt.
Bestek.
Het wordt tijd om onze tafels terug te veroveren. Steeds vaker duiken er aan de onderkant van eettafels vreemde verzamelingen op: kopjes die ondersteboven hangen als vleermuizen, borden die zich als platte schaduwen verstoppen, schotels die op hun kop wachten tot iemand ze redt. Deze gewoonte moet stoppen. Dit manifest is een oproep tot nuchterheid, tot het herwaarderen van zowel tafelblad als onderkant โ met respect voor functionaliteit en een tikkeltje gezond verstand. Niemand zal ontkennen dat er creativiteit schuilt in het ondersteboven organiseren van dagelijkse spullen. Bestek dat magnetisch onder de tafel klikt? Prima. Een eierdopje dat bescheiden aan de rand bungelt? Het kan er nog mee door. Maar kopjes en borden horen niet in het schemergebied onder onze maaltijdzone. Ze horen bovenop de tafel, waar licht en gemak regeren. Ondersteboven servies verstoort niet alleen de orde, maar ook de ziel van een gezellige maaltijd.
De Deken.
Wanneer ik het deken over mijn hoofd trek, verschuift de slaapkamer in een andere staat van bestaan. Het zachte gewicht van stof verandert in een drempel, een sluier tussen het gewone en een plaats die nergens op lijkt. De lucht wordt warmer, compacter, maar ook vreemd ruim, alsof elke ademtocht een deur opent naar gangen die niet zichtbaar zijn. Ik lig stil, maar iets in mij begint te dwalen. Onder de koepel van het deken maakt tijd een kleine misstap. Minuten verliezen hun volgorde en schuiven als schimmen tegen elkaar aan. De contouren van mijn lichaam vervloeien en worden een soort kaart die zichzelf voortdurend herschrijft. Ik voel mijn benen niet langer als vaste lijnen, maar als paden die voorbij de grenzen van mijn huid kronkelen. Mijn armen veranderen in lanen die zich splitsen zonder waarschuwing, zonder eindpunt. De duisternis onder het deken is niet leeg โ ze is vol van alle richtingen die ik tegelijk opga.
Aanraken.
Het begint als een lichte rimpeling, een haast ongrijpbare verschuiving in het gevoel waarmee ik mijn eigen huid lees. Een fluistering van binnenuit. Mijn neus โ dat vertrouwde middelpunt van mijn gezicht โ lijkt plots te krimpen, alsof hij zich terugtrekt in een dieper gebied waar aanraking minder zeker is. Het is niet dat hij fysiek verdwijnt; het is eerder een verplaatsing van betekenis. Een orgaan dat ooit vanzelfsprekend aanwezig was, wordt nu een vraagteken dat zich onder mijn vingerkransen verbergt. Elke keer dat ik hem aanraakte, dacht ik een vorm te bevestigen. Ik dacht dat tast een waarheid was, een soort ritueel van bevestiging. Maar hoe vaker mijn vingertoppen die huid verkenden, hoe meer het leek alsof mijn neus een eigen wil had, een interne beweging die zich onttrok aan meting en verwachting. De aanraking zelf werd vloeibaar. Wat eerst stevig voelde, werd zacht; wat eerst bekend was, werd vreemd. Alsof de ruimte tussen mijn vingers en mijn gezicht zich vulde met de echo van eerdere aanrakingen, die nu als schaduwen rondzweefden.
Plint.
Er zijn van die keuzes die zo klein lijken dat niemand ze ooit hardop bespreekt, alsof ze vanzelf ontstaan in de marge van het dagelijks bestaan. Toch schuilt er in het onderscheid tussen de duim en de wijsvinger โ specifiek wanneer je langs de plinten van de stoep veegt tijdens een lange wandeling door een straat die op het eerste gezicht onverschillig lijkt โ een bijna tragische economische logica. Het is een logica die je alleen begrijpt wanneer je, tegen beter weten in, probeert te berekenen hoeveel aanraking een mens kan verdragen voordat iets breekt of juist heelt.
Beton.
Er is iets vreemds aan het besef dat een verlaten parkeergarage โ een ruimte waar normaal gesproken alleen gehaaste voetstappen en het echoรซn van motoren domineren โ juist de plek kan zijn waar je het best op blote voeten loopt. Het klinkt irrationeel, bijna kinderlijk, maar wie het door een scheikundige lens bekijkt, wie bereid is om de emoties van een onverwacht moment te verbinden met de moleculen onder zijn huid, ontdekt dat het idee minder absurd is dan het lijkt. En het werkt alleen wanneer je alleen bent, wanneer het laatste restje menselijk geluid uitdooft en enkel de lucht, het beton en jouw lichaam overblijven.
Hier.
De gedachte โals je hier bent ben je hier en als je daar bent ben je daarโ lijkt op het eerste gezicht een futiele tautologie, een onschuldige kringloop van woorden die niets doet dan terugkeren naar zichzelf, maar wanneer je haar langzaam uit elkaar trekt als een sliert koud kauwgom die weigert los te laten, ontvouwt zich een beeld dat tegelijk helder en ontglippend is, een situatie waarin iemand โ misschien jij, misschien een naamloos figuur dat slechts bestaat bij gratie van onze verbeelding โ op een verlaten plein staat waar de ochtendmist net begint op te tillen, terwijl de tegels onder zijn voeten nog vochtig zijn van een nacht die meer vragen dan antwoorden achterliet, en waarin het besef indaalt dat elke plek waar een lichaam zich bevindt een dwingende waarheid uitspreekt, een waarheid die nooit gecompliceerd lijkt tot je haar probeert te negeren, want dan verandert ze in een spiegel zonder glas, een echo zonder bron, een voortdurend fluisteren dat zegt dat aanwezigheid onontkoombaar is.
Ochtendkrant.
Een sneeuwpop lijkt op het eerste gezicht slechts een vrolijk winterfiguur dat kinderen en volwassenen even laat glimlachen, maar wie iets dieper kijkt, ontdekt dat hij verrassend veel gemeen heeft met een abonnement op een ochtendkrant. Het gaat niet alleen om de symboliek van nieuwheid of frisheid, maar om een reeks subtiele overeenkomsten die iets zeggen over ritme, aandacht en het plezier van herhaling. Daarom vormt de sneeuwpop een onverwacht rijke metafoor voor het dagelijks ontvangen van nieuws.
Pilaar.
Een pilaar heeft iets discreet geruststellends. Het staat er stil en onverstoorbaar, zonder oordeel en zonder verwachting. Juist daarom is het zoโn ideale bondgenoot voor wie even behoefte heeft aan eigen ruimte. Achter een pilaar staan is een subtiele manier om je aanwezigheid te temperen zonder te verdwijnen. Je bent nog steeds onderdeel van de omgeving, maar met een zachte grens die anderen intuรฏtief respecteren. Het is verrassend hoe iets eenvoudigs zo krachtig kan zijn.
Omduwen.
Het omduwen van een kerstboom klinkt als een daad van pure baldadigheid, maar in een theatrale context verandert het in een zorgvuldig georkestreerd moment vol flair, timing en expressie. Wie de kerstboom niet simpelweg wil omstoten, maar er een kleine voorstelling van wil maken, moet denken als een acteur, bewegen als een danser en plannen als een regisseur. De boom wordt geen slachtoffer van chaos, maar een medespeler in een scรจne die mensen nog jaren zullen navertellen.
Afdruk.
We leven in een tijd waarin gemak koning is. Een vingerafdruk hier, een gezichtsscan daar โ het kost ons nauwelijks moeite om toegang te krijgen tot onze telefoon, bankrekening of zelfs het kantoor. De vingerafdruk heeft zich ontwikkeld tot hรฉt symbool van de moderne efficiรซntie. Maar misschien is het juist tijd om die vinger eens rust te gunnen. Er bestaat een waardiger, subtieler en veelzeggender alternatief: de elleboogafdruk. De elleboogafdruk is geen modegril. Het is een statement. Waar de vingerafdruk symbool staat voor haast, routine en automatisering, vertegenwoordigt de elleboogafdruk toewijding, bewustzijn en een vleugje rebellie tegen de digitale sleur. Wie zijn identiteit via zijn elleboog kenbaar maakt, zegt eigenlijk: ik ben bereid moeite te doen voor mijn authenticiteit.
Karretje.
Een kar met vier wielen. Of eigenlijk, met drie โ want eentje is weg. Een detail dat op het eerste gezicht triviaal lijkt, maar dat juist de hele scรจne op perron 2 een extra laag tragiek geeft. Daar staat het ding, scheef, als een gewonde soldaat na de strijd, net niet meer bruikbaar, maar te aanwezig om te negeren. De regen gutst onverbiddelijk neer op deze maandagmorgen, terwijl forenzen er met afgewend gezicht langs schuifelen. Niemand vraagt zich af van wie de kar was, of wat er met dat vierde wiel is gebeurd. En dat zegt, helaas, alles over ons.
Dingen.
Er liggen dingen op het zebrapad die niet hadden moeten blijven liggen. Een plastic kam met drie gebroken tanden, een verkreukelde kassabon waarvan de inkt is vervaagd tot een spook van cijfers, een handschoen zonder partner, een sleutel zonder slot. Ze liggen daar niet toevallig โ maar ook niet met bedoeling. Het zijn resten van handelingen die ooit betekenis hadden en die nu zijn blijven steken tussen twee stoepen. Dingen die niet meer weten vanwaar ze kwamen, laat staan waarheen ze moeten. De wind schuift ze soms een paar centimeter op, alsof hij hen een richting wil geven, maar ook de wind heeft geen plan. De kam krast even tegen het asfalt, de kassabon wappert als een nerveuze vlinder, en dan komt er een moment van totale stilstand. De zon brandt een witte streep op het midden van de weg. Niemand steekt over. De wereld houdt even haar adem in voor deze troep die geen verhaal meer vormt.
Punaise.
Iedereen kent het: dat felle prikje onder je voet, het plotselinge gesis dat ontsnapt voor je beseft wat er gebeurt โ je bent op een punaise gestapt. Een ongelukje dat pijn doet, maar dat we vreemd genoeg allemaal ooit meemaken. Toch blijft de vraag hangen: als het dan toch moet gebeuren, waar in je woonkamer kun je dat het beste doen? Is er een plek waar de schade โ zowel lichamelijk als praktisch โ het minst groot is?
