Vissenkom.

Een oude man zit in zijn leren fauteuil, gehuld in een donkere jas die de kou slechts half uit zijn botten houdt. Zijn blik rust op een vissenkom die wankel staat op een houten krukje, het water daarin stil, slechts af en toe verstoord door de traagheid van een goudvis die zich beweegt alsof ook hij weet dat alles hier vertraagd is. Naast de man staat een schemerlamp, onnatuurlijk opgericht op het besneeuwde grasveld, zijn licht zwak, bijna rebels tegen de alomtegenwoordige winterwitheid. De wereld om hem heen is bedekt met een deken van sneeuw – zacht, stil, dwingend. Bomen staan als witbeslagen standbeelden, hun takken zwaar van bevroren verleden. In de verte tekent een hoogspanningsmast zich af tegen de grijze lucht – een metalen herinnering aan beweging, aan verbinding, aan iets buiten dit toneel. De hele scène voelt als een schilderij dat per ongeluk uit de lijst is gevallen en op het verkeerde doek terechtkwam. Hier is binnen buiten geworden. Comfort is in conflict met natuur. De leren stoel hoort niet in de sneeuw, net zo min als de vissenkom. Het dier in het glas leeft in zijn eigen afgesloten wereld, gevangen in een bol die op zichzelf al absurd is, maar hier – op een krukje in een bevroren weiland – wordt het bijna grotesk. Toch kijkt de oude man. Hij kijkt alsof dat kijken op zichzelf iets betekent. Alsof er in het drijven van dat visje een antwoord ligt dat nergens anders meer te vinden is. Maar dat is het niet.

Vierkant.

…en dus beweegt zij zich door kamers die altijd vierkant lijken te zijn, zelfs wanneer de muren krommen onder sociale verwachtingen en de vloer wiebelt van impliciete bedoelingen; zij, wier manier van kijken nooit bedoeld was als afwijzing maar als precisie, als een soort morele plicht tot duidelijkheid, want hoe kan men zich oriënteren als alles voortdurend beweegt behalve de zwaartekracht van de logica? Zij wacht niet op een gevoel, zij wacht op een patroon, een bevestiging, een herhaling, iets dat klopt, zoals een reeks voetstappen die met exacte tussenpozen weerkaatsen op een gladde vloer — daar ligt veiligheid, en dus waarheid, en dus realiteit. De anderen, altijd in beweging, spreken in taal die schommelt tussen betekenis en gebaar, alsof hun woorden meer klank zijn dan structuur, en terwijl zij lachen op het verkeerde moment en hun ogen glijden langs onzichtbare punten van betekenis, probeert zij het te begrijpen door de dingen op te schrijven, te tekenen, schema’s te maken waarin hun grilligheid vastgelegd kan worden in vormen die zich tenminste aan hun eigen logica houden. En zo ontstaat het vierkant — een mentale ruimte, niet werkelijk hard of koud, maar ook niet vloeibaar — met afgeronde hoeken die toestaan dat wat buigzaam is zich toch laat vangen, al is het maar voor een moment, voor observatie, voor verwerking, voor een poging tot contact die niet steunt op gevoel maar op decodering.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands