Vissenkom.

Een oude man zit in zijn leren fauteuil, gehuld in een donkere jas die de kou slechts half uit zijn botten houdt. Zijn blik rust op een vissenkom die wankel staat op een houten krukje, het water daarin stil, slechts af en toe verstoord door de traagheid van een goudvis die zich beweegt alsof ook hij weet dat alles hier vertraagd is. Naast de man staat een schemerlamp, onnatuurlijk opgericht op het besneeuwde grasveld, zijn licht zwak, bijna rebels tegen de alomtegenwoordige winterwitheid. De wereld om hem heen is bedekt met een deken van sneeuw – zacht, stil, dwingend. Bomen staan als witbeslagen standbeelden, hun takken zwaar van bevroren verleden. In de verte tekent een hoogspanningsmast zich af tegen de grijze lucht – een metalen herinnering aan beweging, aan verbinding, aan iets buiten dit toneel.

De hele scène voelt als een schilderij dat per ongeluk uit de lijst is gevallen en op het verkeerde doek terechtkwam. Hier is binnen buiten geworden. Comfort is in conflict met natuur. De leren stoel hoort niet in de sneeuw, net zo min als de vissenkom. Het dier in het glas leeft in zijn eigen afgesloten wereld, gevangen in een bol die op zichzelf al absurd is, maar hier – op een krukje in een bevroren weiland – wordt het bijna grotesk. Toch kijkt de oude man. Hij kijkt alsof dat kijken op zichzelf iets betekent. Alsof er in het drijven van dat visje een antwoord ligt dat nergens anders meer te vinden is.

Maar dat is het niet.

En dat is precies het punt. Dit moment – hoe bizar, verstild en geladen het ook lijkt – is niet het middelpunt van het leven. Het is niet de climax van een verhaal, niet de sleutel tot het universum. De man zal sterven, de vis ook. De sneeuw zal smelten. De kruk zal verrotten. De schemerlamp zal roesten of verdwijnen, mogelijk meegenomen door een nieuwsgierige tiener of een storm. Zelfs de hoogspanningsmast zal uiteindelijk worden vervangen of omvallen.

Wat we hier zien, is geen centrum, maar een rand. Een buitengebied van betekenis. Misschien is dat precies waarom het beeld ons raakt. Omdat het, met zijn nutteloosheid, zijn contradicties en zijn verstilling, laat zien dat de meeste momenten van het leven niet grandioos of universeel zijn. Ze zijn klein, zonder gewicht, en toch pijnlijk voelbaar. Ze suggereren iets dat er niet is – een betekenis die we projecteren op wat in essentie gewoon gebeurt.

De oude man kijkt naar zijn vissenkom, omdat hij daar nog naar kan kijken. De wereld draait verder, ver weg. De mast draagt elektriciteit naar mensen met andere problemen, andere scènes. De sneeuw bedekt het gras of de modder daaronder zonder voorkeur. En de vis zwemt zijn rondjes, gevangen in een wereld binnen een wereld die nergens toe leidt.

Misschien is dat wat leven is. Niet het centrum. Niet de bestemming. Maar deze vreemde, onhandige tussenmomenten die niemand anders ziet.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder