From here:

  • My No Man's Land

    Mijn Niemandsland

    My No Man's Land is AI generated. Both in text and image. The only human thing in this process is the initial question. A slightly surreal opening question about our current reality. The artificial intelligence answers. Is this the new reality?

    Now also in a book. Order Primal Soup and/or Strawberry Submarine with the button below.


    Most read articles.

    Register or follow us on Facebook or Instagram for a daily artificial vision of reality.

    https://www.facebook.com/mijnniemandsland

    https://www.instagram.com/mijn_niemandsland

  • Reserveelleboog.

    Reserveelleboog.

    De tweede elleboog zat op een plaats waarvoor zijn overhemd geen mening had. Halverwege de linkeronderarm, waar tot voor kort één rechte afspraak had bestaan, ontstond een gewricht dat graag naar binnen wilde. De man merkte het tijdens het roeren in de koffie. Zijn hand maakte de gebruikelijke cirkel, de nieuwe elleboog maakte een kleinere tegenbeweging en de lepel bleef vrijwel op dezelfde plaats. Hij moest de suiker uiteindelijk door de kop heen en weer te schuiven tot medewerking brengen. Het extra gewricht zag er niet ontstoken of spectaculair uit. Het had een gewone plooi, wat lichtere huid en een ernst die vooral bij nieuwe onderdelen voorkwam. Aan de ontbijttafel probeerde hij uit waarvoor het bedoeld kon zijn. Hij kon nu zijn eigen mouw van binnen aanraken, maar dat bleek geen behoefte die eerder merkbaar was blijven liggen. Een pot openen ging slechter. Zijn lichaam had kennelijk een oplossing ontwikkeld zonder eerst naar de beschikbare problemen te informeren.

    Op kantoor werd de mutatie onmiddellijk tot talent verklaard. Iemand vroeg of hij nu gemakkelijker achter een kast kon komen. Een ander zag mogelijkheden bij het bespelen van instrumenten die hij niet bezat. De personeelsmedewerker wilde weten of het gewricht op zijn functieomschrijving invloed had. Hij zei dat vooral zijn boterham dubbelklapte. Dat werd niet genoteerd. Men zag liever vooruitgang wanneer er iets bijkwam, zeker als een collega de proefpersoon was. De tweede elleboog had zelf geen belangstelling voor prestaties. Hij boog op onverwachte momenten, bijvoorbeeld wanneer de man een hand wilde geven of zijn jas van een kapstok haalde. Steeds verscheen er een extra beleefdheid in de arm: een kleine buiging voordat het eigenlijke gebaar begon. Mensen namen aan dat hij aarzelde en trokken hun hand terug, waardoor zijn hand alsnog niets bereikte. Tegen de middag bond hij een opgerold tijdschrift langs zijn onderarm. Het gewricht werd daarmee tijdelijk teruggebracht tot een uitgave waar niemand doorheen hoefde te bladeren. Hij kon weer koffie drinken, al moest hij nu naar het nieuws kijken wanneer hij zijn horloge wilde zien.

    Thuis maakte zijn buurvrouw de mouw los bij de naad. Ze kon goed naaien en had weinig behoefte aan een verklaring voor een lichaamsdeel dat al voor haar op tafel lag. Er moest ruimte in de stof, zei ze. Niet omdat de arm beter was geworden, maar omdat hij er nu eenmaal was. Ze zette een driehoekje katoen tussen de delen van de mouw en vroeg hem te bewegen. De tweede elleboog knikte. Voor het eerst die dag ging er niets kapot en werd er geen mogelijkheid voor de toekomst genoemd. Hij betaalde haar met het repareren van een klemmend kastdeurtje. Daarvoor bleek de extra bocht niet noodzakelijk. Het lukte op de gewone manier, langzaam en met het verkeerde gereedschap. Later hing hij het overhemd aan een stoel. De mouw maakte een vreemde hoek, alsof er iemand in zat die nog iets wilde vragen. Hij trok het tijdschrift van zijn arm en legde het op tafel. Morgen zou hij weer moeten uitzoeken hoe hij brood naar zijn mond kreeg. De evolutie, voor zover die voor deze onmogelijke middag aansprakelijk kon worden gesteld, had geen handleiding meegestuurd. Zijn buurvrouw gelukkig wel een stukje extra stof.

  • Klemtijd.

    Klemtijd.

    De lijmklem zat al zo lang onder de tafel dat niemand meer wist wat er ooit gelijmd was. Het blad vertoonde geen scheur. De poten stonden stevig en de verbindingen hielden zich beter dan de meeste afspraken in het gezin. Toen de dochter na jaren weer bij haar vader kwam eten, stootte ze met haar knie tegen het houten handvat. Hij zei dat ze moest oppassen. Zij vroeg waarom het ding er nog aan zat. Hij antwoordde dat sommige verbindingen tijd nodig hadden, wat bij deze klem inmiddels een periode van bijna twaalf jaar betekende. Buiten liep regen langs het raam van de werkplaats. Binnen hing de geur van houtstof, koffie en een soort geduld dat niet helemaal vrijwillig was geweest. De dochter boog zich onder tafel en draaide het handvat een kwartslag los. Meteen verschoof het licht. Aan haar kant werd het namiddag; aan zijn kant bleef het vroege ochtend. De damp boven zijn kopje trok horizontaal langs het blad en stopte bij de klem, alsof daar een ruit stond. De vader zette zijn beker neer. Hij had blijkbaar gelijk gehad over de verbinding, maar niet noodzakelijk over de reden om haar zo lang vast te houden.

    De klem hield geen stukken hout bijeen. Zij drukte twee ogenblikken tegen elkaar die ooit aan dezelfde tafel hadden plaatsgevonden. Aan de ene kant zat de vader nog op de ochtend voordat zijn dochter vertrok. Aan de andere kant had zij de jaren die volgden al met zich meegebracht. Zolang het handvat strak bleef staan, kon men de overgang aanzien voor een gewone meubelrand. Daaronder zat echter een naad die nooit was uitgehard. De dochter draaide nog een stukje. Uit de kier kwam de geur van een oude jas die zij niet meer bezat. Haar vader hoorde een fietsbel uit de straat waar ze vroeger woonden. Geen van beiden vond dat uitsluitend prettig. Bewaren had ook betekend dat er twaalf jaar lang geen frisse lucht tussen die momenten was gekomen. De man streek met zijn duim langs het tafelblad en zei dat het anders uit elkaar zou vallen. Zij keek naar de stevige poten. Het meubel kon vermoedelijk meer verdragen dan de formulering. Toch hield ze op met draaien. Er waren dingen die je niet losmaakte door te bewijzen dat een ander overdreef. Ze ging weer rechtop zitten en vroeg of hij nog koffie had.

    Ze dronken ieder aan hun eigen kant van de middag. Dat zag er vreemd uit: zijn lepel ving koel ochtendlicht, haar hand lag in een warme baan zon die buiten nergens te vinden was. De regen bleef aan beide kanten gelijk, als enige deelnemer die zich niet met het tijdsverschil bemoeide. Later draaiden ze het handvat samen verder open. Er kwam geen breuk. De twee ogenblikken weken langzaam uit elkaar, en in de tussenruimte ontstond een smalle strook van de dag die ze werkelijk samen doorbrachten. Het blad werd er niet groter van. Er was alleen eindelijk plaats voor een nieuw kopje zonder dat dit onmiddellijk iets van vroeger moest vervangen. De vader nam de klem in zijn hand en woog haar even. Het schroefdraad was droog. Hij deed er een druppel olie op, gewoon omdat gereedschap onderhoud nodig had. De dochter pakte haar jas. Ze hadden niet alles besproken. Aan de tafel was bovendien nog steeds een beschadiging zichtbaar op de plek waar de klem had gezeten. Hij beloofde niet haar weg te schuren. De volgende keer konden ze er een schaal op zetten.

  • Hoekschuld.

    Hoekschuld.

    De driehoek lag op tafel en kwam niet uit. Twee hoeken gedroegen zich behoorlijk, de derde bleef te klein, hoe zorgvuldig de man hem ook tekende. Op een vlak hoorde de som van de binnenhoeken honderdtachtig graden te zijn. Daar viel normaal weinig aan te onderhandelen. Deze driehoek kwam verder dan honderdzeventig niet. Er ontbraken tien graden, en het papier vertoonde op die plaats een smalle open kier waardoor de tafel zichtbaar was. Hij controleerde zijn potlood. Het was niet stomp genoeg om zo’n principiële afwijking te veroorzaken. Daarna keek hij naar de kamer. De hoek tussen deur en boekenkast leek opvallend ruim geworden. Het licht bleef er langer hangen dan gewoonlijk. De driehoek had kennelijk geprobeerd zijn tekort elders te financieren en daarbij alvast meer meegenomen dan hij nodig had. De man schoof het vel opzij. De kier schoof mee. Er kwam een lichte tocht uit, alsof het ontbrekende stukje richting nog met een buitenwereld in verbinding stond. Hij had uitsluitend een plank willen uittekenen voor de kast. Nu moest hij eerst de ruimtelijke administratie van zijn woning op orde brengen.

    Een hoek was geen voorwerp dat je in een lade kon bewaren. Je kon de benen van een figuur verplaatsen, het vlak buigen of een andere meetkunde kiezen, maar dan veranderde je de voorwaarden waaronder het geheel werd beschreven. De man bleef opzettelijk aan zijn gewone tafel zitten. Hij had geen behoefte aan een gekromd universum om één plank passend te krijgen. Toch bood de kamer allerlei voorstellen. De deuropening kneep samen, het raam werd een beetje ruitvormig en de stoel kreeg een zitting waarop links en rechts verschillende meningen over horizontaal hadden. Iedere schenking veroorzaakte elders een gebrek. Het leek op een huishouden waarin iemand met het ene vrije uur steeds een andere afspraak moest repareren. De driehoek zelf bleef zwijgend op het papier liggen. Hij vroeg niet veel, maar eiste wel precies dat wat overal al in gebruik was. De man nam een tweede vel en tekende een nieuwe driehoek. Die klopte onmiddellijk. Het verschil tussen beide figuren was haast niet zichtbaar, totdat hij ze over elkaar legde. De kier in de eerste zocht de hoek van de tweede op. Zelfs een correct voorbeeld kon blijkbaar als leverancier worden behandeld wanneer je lang genoeg naar zijn ruimte keek.

    Hij stopte met aanvullen. In plaats daarvan knipte hij het papier langs de drie lijnstukken open. De onmogelijke driehoek verloor haar aanspraak op geslotenheid en werd drie losse stroken. De tien ontbrekende graden waren nu nergens meer verschuldigd, omdat de vorm die ze had geëist niet langer bestond. Het raam kreeg zijn rechthoek terug. De stoel werd zitbaar. Uit de hoek naast de boekenkast verdween het overtollige licht, dat zich zonder bezwaar over de vloer verdeelde. De man keek naar de stroken. Ze waren van weinig nut voor een bouwtekening, maar geschikt om tussen twee bladzijden te leggen. Hij stopte er één in het boek dat al weken naast zijn bed lag. Met een ander stukje papier noteerde hij de maten voor een rechthoekige plank, uitsluitend in woorden. Dat was geen bescherming tegen fouten, alleen een manier om het probleem weer de omvang te geven die hij ervoor overhad. De derde strook bleef op tafel liggen. Niemand vroeg haar nog om iets te sluiten. Ze boog vanzelf een beetje omhoog waar het papier nat was geworden van zijn kopje.

  • Vierde Steen.

    Vierde Steen.

    Drie stenen lagen op een rij en de man vond dat voldoende. Hij had ze op de vensterbank gezet na een wandeling langs het water, waar alles voortdurend bewoog zonder daar iets mee te bereiken. De stenen daarentegen boden een heldere toestand. Er waren er drie. Ze lagen naast elkaar. Wie iets anders beweerde, moest eerst maar komen kijken. In de dagen daarna merkte hij dat het weer zich aan hun opstelling begon te houden. Zolang de rij recht lag, viel de regen recht omlaag. Als hij de middelste steen iets verschoof, trok de wind door de straat. Dat gaf zijn zekerheid een bruikbare buitenkant. Hij legde de stenen iedere ochtend zorgvuldig terug. Buren kregen droge was en fietsers minder tegenwind, zonder te weten aan wiens vensterbank zij dat te danken hadden. De man genoot daar niet openlijk van, maar hij maakte het raam wel vaker schoon. Op een zaterdag kwam zijn zus langs. Zij had een vierde steen meegenomen, plat en donker, omdat zij dacht dat hij stenen verzamelde. Ze legde hem naast de andere drie. Buiten viel de regen plotseling horizontaal.

    Hij vroeg haar de steen weg te halen. Zij vroeg waarom. Dat was de eerste moeilijkheid. De tweede was dat ieder antwoord de vierde steen tot onderwerp maakte, waardoor hij steeds nadrukkelijker bij de opstelling ging horen. De man legde uit dat drie stenen een evenwicht vormden. Zijn zus wees erop dat evenwicht ook van vier poten bekend was. Hij sprak over waarheid. Zij zei dat er nu waarneembaar vier stenen lagen. Het raam begon te beslaan aan de buitenkant. De lucht drukte tegen het glas alsof zij wilde controleren wat er binnen fout ging. De man schoof de nieuwe steen achter de gordijnrand. De horizontale regen werd iets schuiner, maar hield niet op. Het hielp kennelijk niet iets uit het zicht te nemen wanneer het al in de telling was opgenomen. Zijn zus ging zitten en trok haar natte schoenen uit. Ze was niet gekomen voor een debat over een vensterbank. Ze had de steen gevonden, mooi genoeg om op te rapen, en aan hem gedacht. Dat laatste element paste nergens in zijn verdediging van de rij. Het had geen vaste vorm, geen meetbare afstand tot de middelste steen en toch bracht juist dat de hele ordening van slag.

    De man pakte de vierde steen op. Hij voelde koud, met aan één kant een gladde plek die door langdurig water was gemaakt. Toen nam hij ook de andere drie van de vensterbank. De regen verloor onmiddellijk zijn richting en viel een paar seconden chaotisch, alsof de wolken opnieuw moesten overleggen. Vervolgens werd het gewoon slecht weer. Hij legde de stenen op tafel, zonder rij. Zijn zus draaide haar vondst tussen twee vingers en vertelde waar ze hem had gezien. Er zat een klein wit adertje in, bijna verdwenen in het donkere oppervlak. Hij had dat nog niet bekeken; hij had uitsluitend het aantal verdedigd. Ze dronken koffie. De stenen bleven liggen waar hun handen ze toevallig hadden neergelegd. Buiten werd niemand beloond met droogte en niemand bestraft met tegenwind. Later zette de man één steen bij het open raam om te voorkomen dat het dichtwaaide. De andere drie liet hij op tafel. Er was nog steeds voldoende waarheid om vast te stellen wat er lag. Alleen hoefde die waarheid niet langer verantwoordelijk te zijn voor de richting waarin het regende.

  • Misplaatsing.

    Misplaatsing.

    Er zijn verschijnselen die zich pas aan ons tonen wanneer wij bereid zijn ze niet onmiddellijk te begrijpen. Het bushokje en de verkeerd geadresseerde flessenpost behoren tot die categorie. Op het eerste gezicht lijken zij niets met elkaar te maken te hebben. Het ene staat aan de rand van de weg, transparant, aangeslagen door regen en dienstregeling. Het andere dobbert ergens tussen toeval en misverstand, opgesloten in glas, op weg naar iemand die het waarschijnlijk nooit zal bereiken. Toch is juist daar, in die schijnbare afstand, hun diepste verwantschap zichtbaar.

    Het bushokje is een architectuur van wachten. Het biedt beschutting aan mensen die onderweg zijn, maar tijdelijk nergens naartoe kunnen. Men staat er met een tas, een natte kraag, een blik op de weg. Alles aan het bushokje zegt: nog niet. De beweging is aangekondigd, maar uitgesteld. De bestemming bestaat, maar is afhankelijk van een voertuig dat zich buiten beeld bevindt.

    Verkeerd geadresseerde flessenpost functioneert op vergelijkbare wijze. Ook zij is een boodschap in afwachting. Zij draagt een intentie, maar mist haar juiste ontvanger. De fles beweegt weliswaar, soms zelfs over enorme afstanden, maar haar reis is fundamenteel vertraagd door een fout in de richting. Zij komt ergens aan, maar niet waar zij bedoeld was. Daarmee verandert zij van communicatie in vondst.

    Hier ontstaat de eerste symbiotische samenhang: beide verschijnselen leven van uitgestelde aankomst. Het bushokje verzamelt lichamen die wachten op vervoer; de fles verzamelt woorden die wachten op betekenis. De reiziger in het hokje en de brief in de fles delen dezelfde existentiële houding: zij zijn tijdelijk overgeleverd aan systemen die zij niet beheersen. De busdienst, de stroming, de wind, de vergissing.

    Men zou kunnen tegenwerpen dat dit slechts een metafoor is. Dat het bushokje niet werkelijk iets ontvangt van de flessenpost en de flessenpost niets te danken heeft aan het bushokje. Maar dat bezwaar miskent de subtiele economie van verkeerdheid. In onze cultuur wordt de juiste adressering overschat. Wij geloven dat berichten hun bestemming moeten bereiken, dat reizigers in de juiste bus moeten stappen, dat objecten moeten voldoen aan hun functie. Toch weten wij diep vanbinnen dat betekenis vaak juist ontstaat waar iets verkeerd aankomt.

    Het bushokje is bij uitstek de plaats waar verkeerde aankomst zichtbaar wordt. Mensen stappen uit op de verkeerde halte, wachten op de verkeerde lijn, lezen een dienstregeling die inmiddels niet meer geldt. Het is een glazen kamer voor vergissingen. Flessenpost die verkeerd geadresseerd is, verricht dezelfde handeling op zee. Zij maakt van de wereld een netwerk van haltes zonder dienstregeling.

    De symbiose tussen beide ligt dus niet in fysieke nabijheid, maar in een gedeelde grammatica van misplaatsing. Het bushokje is de landversie van de aangespoelde fles; de fles is het drijvende bushokje van de boodschap. Beiden zijn kleine capsules waarin hoop wordt geconserveerd. Het ene bewaart de hoop van het lichaam, het andere die van de taal.

    Wanneer iemand in een bushokje staat en door het beslagen glas naar buiten kijkt, lijkt hij op een brief in een fles. Hij is zichtbaar, maar niet bereikbaar. Hij is aanwezig, maar nog niet aangekomen. Zijn gedachten bewegen sneller dan zijn lichaam, zoals de boodschap in de fles sneller wil zijn dan de zee haar toestaat. Omgekeerd lijkt de fles, dobberend op water, op een bushokje zonder wegdek: een miniatuurwachtkamer waarin een afzender plaats heeft genomen zonder stoel.

    Natuurlijk kan men vragen waar dan precies het bewijs ligt. Het antwoord daarop vereist voorzichtigheid. Bewijs is hier geen steen, geen bonnetje, geen nat etiket dat men onder een microscoop kan schuiven. Bewijs is eerder een patroon dat zich steeds opnieuw aandient wanneer men ophoudt het te ontkennen. Overal waar wachten, verkeerde richting en broze beschutting samenvallen, verschijnen het bushokje en de flessenpost als twee vormen van dezelfde diepe structuur.

    Dat de fles geen dak heeft, is daarbij geen bezwaar. Ook het bushokje heeft zelden volledige beschutting. Regen waait er schuin naar binnen, wind vindt altijd een opening, kou gedraagt zich alsof zij een abonnement heeft. Bescherming is in beide gevallen gedeeltelijk. Juist die onvolledigheid maakt hun verwantschap overtuigend. Zij beloven redding, maar leveren vooral uitstel.

    En uitstel is geen gebrek. Uitstel is de ruimte waarin betekenis kan rijpen. De reiziger die wacht, wordt zich bewust van zijn route. De boodschap die verkeerd aankomt, wordt gelezen door iemand die haar niet verwachtte. In beide gevallen ontstaat er een ontmoeting die niet gepland was. Het bushokje organiseert toevalligheid onder een dak; de flessenpost organiseert toevalligheid achter glas.

    Daarom moet men de samenhang tussen bushokje en verkeerd geadresseerde flessenpost niet zoeken in praktische logica, maar in hun gezamenlijke verzet tegen doelmatigheid. Zij bewijzen dat de wereld niet alleen bestaat uit correcte bestemmingen, maar ook uit omwegen, fout gelezen adressen, natte perrons en onverwachte lezers.

    Wie dit eenmaal ziet, kan nooit meer achteloos langs een bushokje lopen. Men ziet dan niet langer een halte, maar een aangespoelde boodschap van de straat. En wie een fles vindt met een brief voor iemand anders, houdt geen vergissing vast, maar een kleine wachtruimte, gevuld met richting, verlangen en het stille bewijs dat aankomen zelden hetzelfde is als goed terechtkomen.

  • Staplengte.

    Staplengte.

    Manifest voor het Behoud van de Ideale staplengte

    Er zijn tijden waarin beschavingen worden beoordeeld op hun monumenten, hun muziek, hun wetten en hun vermogen om bruggen te bouwen over brede rivieren. Wij menen echter dat de ware maatstaf van een cultuur elders ligt: in de lengte van haar stappen.

    Want wat is een samenleving anders dan een verzameling individuen die zich voortbewegen? En wat is voortbewegen anders dan een voortdurende opeenvolging van afstanden die, bewust of onbewust, worden afgelegd tussen twee voetafdrukken? Het tragische van onze tijd is niet dat men te snel leeft, te veel produceert of te weinig leest. Het tragische is dat men loopt zonder te weten hoe lang men loopt.

    De ideale staplengte is geen luxe, geen hobby en geen vrijblijvende persoonlijke voorkeur. Zij vormt het fundament van innerlijke harmonie. Een te korte stap verraadt onzekerheid, besluiteloosheid en een gebrek aan vertrouwen in de toekomst. Een te lange stap getuigt van overmoed, van een ongeduldige geest die voortdurend vooruit wil grijpen op gebeurtenissen die nog niet hebben plaatsgevonden. Alleen de ideale staplengte bevindt zich in het smalle gebied tussen ambitie en berusting.

    Daarom verklaren wij dat iedere burger te allen tijde een meetlint bij zich dient te dragen.

    Niet thuis opgeborgen in een la, niet achteloos achtergelaten in een gereedschapskist, maar zichtbaar, tastbaar en direct beschikbaar, in een jaszak, handtas of speciaal ontworpen staplengte-etui.

    Immers, hoe kan men spreken over verantwoord wandelen wanneer men niet beschikt over actuele gegevens? Hoe kan iemand met overtuiging een straat oversteken, een station verlaten of een park doorkruisen zonder exact te weten of de voorgaande twintig stappen binnen de aanvaardbare marges vielen?

    Het meetlint is geen instrument van dwang, maar een hulpmiddel tot zelfkennis.

    Tijdens het wandelen dient de beoefenaar met regelmaat halt te houden, zich met een zekere soepelheid voorover te buigen en de afstand tussen opeenvolgende voetposities nauwkeurig vast te stellen. Dit vraagt oefening. Het vergt een lichaam dat bereid is zich aan te passen aan de eisen van de moderne stapcultuur. Men dient de rug te trainen, de schouders mobiel te houden en een zekere elegantie te ontwikkelen in het gelijktijdig lopen, meten, noteren en eventueel corrigeren van toekomstige stappen.

    Critici zullen opmerken dat deze methode een zekere lenigheid vereist. Dat erkennen wij zonder aarzeling. De ideale staplengte is nooit bedoeld geweest voor mensen die gemak boven perfectie verkiezen. Het is een discipline. Een levenshouding. Een voortdurend streven naar meetbare vooruitgang.

    In sommige gevallen zal men zelfs tijdens het lopen een tussentijdse controle moeten uitvoeren. Ervaren beoefenaars slagen erin het meetlint uit te rollen zonder hun wandelritme volledig te onderbreken. Zij bewegen zich door winkelstraten, over stationspleinen en langs fietspaden met de gratie van koorddansers en de concentratie van landmeters.

    Wij zien een toekomst voor ons waarin mensen elkaar niet langer vragen hoe het gaat, maar informeren naar de gemiddelde staplengte van de afgelopen week.

    “Hoe gaat het met je?”

    “Redelijk. Ik zit momenteel op achtenzeventig centimeter, maar ik werk aan meer consistentie.”

    Kinderen zullen van jongs af aan worden onderwezen in stapkunde. Op school worden meetlinten uitgereikt. Oefenparcoursen verschijnen in stadsparken. Bibliotheken openen afdelingen gewijd aan historische stapprofielen van beroemde wandelaars, denkers en toevallige voorbijgangers.

    Want de ideale staplengte is geen bestemming. Zij is een voortdurende zoektocht. Een dialoog tussen voet en aarde, tussen lichaam en ruimte, tussen mens en meetinstrument.

    Laten wij daarom wandelen met aandacht. Laten wij meten zonder schaamte. Laten wij de willekeur uit onze verplaatsingen verdrijven en de stap verheffen tot datgene wat zij altijd al had moeten zijn: een nauwkeurig gecontroleerde artistieke handeling, uitgevoerd in het openbaar, met een meetlint in de hand en een flexibele wervelkolom als moreel kompas.

    Oefening baart immers kunst, en kunst begint bij een goed gemeten stap.

  • Röntgen.

    Röntgen.

    De recente populariteit van röntgenbrillen heeft een discussie op gang gebracht die jarenlang grotendeels onder de radar bleef, vermoedelijk omdat men eenvoudigweg niet beschikte over voldoende zicht op de problematiek. Inmiddels blijkt echter dat de technologie, hoe fascinerend ook, een nieuw vraagstuk heeft gecreëerd: het herkennen en uit elkaar houden van skeletten.

    Aanvankelijk leek de introductie van de moderne röntgenbril een bescheiden revolutie. Mensen wandelden door winkelstraten, bezochten familiefeesten en namen deel aan vergaderingen met het geruststellende idee dat de menselijke anatomie eindelijk toegankelijk was geworden voor de nieuwsgierige burger. Al snel ontstond echter een praktisch probleem. Hoewel de meeste mensen in dagelijkse omstandigheden uitstekend van elkaar te onderscheiden zijn dankzij kleding, kapsels, brillen, baarden en merkwaardige voorkeuren voor bepaalde kleuren regenjassen, blijken skeletten opvallend uniform.

    Men kan zelfs stellen dat het skelet zich weinig aantrekt van individualiteit. Vrijwel iedereen beschikt over een schedel, een ribbenkast en een verzameling botten die, vanuit een respectabele afstand bezien, een zekere onderlinge gelijkenis vertonen. Waar men vroeger dacht dat persoonlijkheid diep vanbinnen zat, blijkt dat diep vanbinnen vooral veel kalk aanwezig is.

    Dit leidt tot ongemakkelijke situaties. Op een verjaardag kan men plotseling constateren dat het lastig is te bepalen welk skelet precies behoort bij oom Henk, tante Marianne of de buurvrouw die al twintig minuten naast de kaasblokjes staat. Op stations ontstaan vergelijkbare complicaties. Een wachtende reiziger ziet niet langer een menigte mensen, maar een verzameling wandelende geraamtes die allen een vergelijkbare pas hanteren en in meer of mindere mate beschikken over knieën.

    Onderzoekers spreken inmiddels voorzichtig over het zogenaamde skeletidentificatievraagstuk. Hoewel het nog te vroeg is om van een crisis te spreken, zijn de eerste signalen zorgwekkend. Er zijn meldingen van mensen die per ongeluk een gesprek begonnen met het verkeerde skelet, hun partner pas herkenden aan een oude sleutelbos in een jaszak of langdurig een onbekende volgden omdat diens sleutelbeen een vertrouwde indruk maakte.

    Gelukkig worden reeds verschillende oplossingen onderzocht.

    Een eerste mogelijkheid is het ontwikkelen van skeletaccessoires. Kleine decoratieve elementen, zoals gekleurde enkelbandjes, botstickers of subtiele reflecterende markeringen op het sleutelbeen, zouden de herkenbaarheid aanzienlijk kunnen vergroten zonder afbreuk te doen aan de natuurlijke esthetiek van het geraamte.

    Een tweede voorstel betreft de invoering van gepersonaliseerde houdingen. Sommige mensen zouden bewust een herkenbare skeletidentiteit kunnen cultiveren door hun schouders permanent iets op te trekken of een karakteristieke stand van de onderkaak aan te nemen. Net zoals men een eigen loopje heeft, zou men ook een eigen skeletprofiel kunnen ontwikkelen.

    Daarnaast wordt gedacht aan digitale ondersteuning. Toekomstige röntgenbrillen zouden wellicht namen boven skeletten kunnen projecteren, vergelijkbaar met naambordjes op congressen. Het risico bestaat echter dat technische storingen leiden tot pijnlijke misverstanden, bijvoorbeeld wanneer een bril besluit dat de plaatselijke bakker eigenlijk een fysiotherapeut uit Eindhoven is.

    Voorlopig lijkt voorzichtigheid daarom geboden. Totdat de technologie verder ontwikkeld is, doen gebruikers van röntgenbrillen er verstandig aan regelmatig terug te schakelen naar de traditionele waarneming. Uiteindelijk blijken mensen nog altijd het gemakkelijkst herkenbaar aan hun gezicht, hun kleding en hun eigenaardige gewoonte om op feestjes net iets te lang bij de bitterballen te blijven hangen.

  • Oppompen.

    Oppompen.

    Er bestaan overtuigingen die zo diep verankerd zijn in het dagelijks leven dat niemand nog de moeite neemt ze ter discussie te stellen. Een daarvan is het hardnekkige idee dat meeblazen in de lucht tijdens het oppompen van een fietsband volstrekt nutteloos zou zijn. Volgens de gangbare opvatting wordt de lucht immers uitsluitend door de pomp verplaatst en levert de menselijke adem geen enkele betekenisvolle bijdrage. Dat klinkt aannemelijk, maar wie beter kijkt, ontdekt dat de werkelijkheid aanzienlijk genuanceerder is.

    Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat het oppompen van een fietsband nooit een puur mechanische handeling is geweest. Het is een samenwerking tussen mens en techniek, tussen spierkracht en verwachting, tussen de pomp en degene die weigert zich neer te leggen bij een band die meer weg heeft van een stoffige pannenkoek dan van een vervoersmiddel.

    Juist in dat spanningsveld speelt het meeblazen een belangrijke rol.

    Wanneer iemand zich vooroverbuigt, de pomp stevig vasthoudt en bij iedere neergaande beweging bewust lucht uitblaast richting het ventiel, ontstaat er een subtiel maar niet te onderschatten psychodynamisch effect. De fietser voelt zich actiever betrokken bij het proces. Er ontstaat een indruk van versnelling, alsof de lucht niet alleen via de pomp maar ook via persoonlijke inzet wordt aangevoerd. Deze ervaring verhoogt het vertrouwen in de voortgang van de werkzaamheden aanzienlijk.

    Critici wijzen er graag op dat de menselijke longcapaciteit niet rechtstreeks verbonden is met het binnenwerk van de pomp en dat de bijdrage in liters per minuut verwaarloosbaar is. Zij vergeten echter dat efficiëntie niet uitsluitend wordt bepaald door natuurkundige grootheden, maar ook door mentale factoren. Een persoon die meeblaast pompt doorgaans met meer overtuiging, houdt een constanter ritme aan en vertoont minder tekenen van ontmoediging wanneer de laatste percentages bandenspanning moeizaam worden bereikt.

    Daarnaast heeft het meeblazen een belangrijk sociaal voordeel. Omstanders krijgen onmiddellijk de indruk dat hier iemand aan het werk is die volledig opgaat in zijn taak. De handeling krijgt iets heroïsch. Het is alsof men niet slechts een fietsband oppompt, maar actief deelneemt aan een gezamenlijke strijd tegen leegte, weerstand en de voortdurende dreiging van zachte banden.

    Er zijn zelfs aanwijzingen dat het uitademen tijdens lichamelijke inspanning de coördinatie kan verbeteren. Wie meeblaast, synchroniseert ademhaling en beweging. Iedere pompbeweging krijgt een eigen soundtrack van vastberaden ademstoten. De pomp wordt geen gebruiksvoorwerp meer, maar een instrument waarop een ritmische compositie wordt uitgevoerd ten behoeve van de mobiliteit.

    Het grootste voordeel van meeblazen ligt misschien wel in de symboliek. Mensen hebben altijd de neiging gehad om processen te ondersteunen die eigenlijk al zelfstandig functioneren. Men praat tegen computers, moedigt water aan sneller te koken en drukt harder op een afstandsbediening wanneer de batterijen bijna leeg zijn. Meeblazen tijdens het oppompen van een fietsband past perfect in deze traditie van optimistisch ingrijpen.

    En misschien is dat precies waarom het werkt. Niet omdat de natuurwetten plotseling veranderen, maar omdat de mens zich daardoor minder toeschouwer voelt en meer deelnemer aan het wonderlijke proces waarbij een slappe band langzaam verandert in een toonbeeld van veerkracht, klaar om opnieuw de wereld tegemoet te rollen.

  • Spinazie.

    Spinazie.

    Er bestaan in de culinaire wereld talloze overtuigingen die zelden in kookboeken worden vastgelegd, omdat zij niet voortkomen uit meetbare chemische processen of uit eeuwenoude tradities, maar uit een dieper, intuïtiever begrip van de menselijke verhouding tot voedsel, beweging en ambitie. Een van die overtuigingen betreft de opmerkelijke voordelen van het bewust ver weg plaatsen van de zak met spinaziebladeren tijdens het wokken, zodat de kok gedwongen wordt de inhoud van aanzienlijke afstand in de pan te werpen.

    Op het eerste gezicht lijkt dit een onpraktische gewoonte. Waarom zou men de spinazie niet eenvoudig naast de wok positioneren, binnen handbereik, op een veilige en overzichtelijke afstand van de sissende olie en de opstijgende dampen? Het antwoord is even eenvoudig als verrassend: gemak leidt zelden tot grootse culinaire prestaties. De afstand tussen kok en spinazie vormt namelijk een essentieel spanningsveld waarin techniek, timing en persoonlijke moed elkaar ontmoeten.

    Wanneer de zak spinazie zich bijvoorbeeld aan de andere zijde van het aanrecht bevindt, ontstaat een unieke dynamiek. De wokpan bevindt zich op het hoogtepunt van haar activiteit. Groenten draaien rond, knoflook geurt agressief in de lucht, saus verdampt met een haast theatrale overtuiging en de temperatuur bereikt een punt waarop uitstel niet langer mogelijk is. Juist dan moet de kok zich omdraaien, de zak grijpen en vanuit een berekende positie de groene bladeren in een elegante boog richting het centrum van de pan sturen.

    Deze handeling biedt meerdere voordelen. Ten eerste stimuleert zij de ontwikkeling van ruimtelijk inzicht. De moderne mens beweegt zich immers steeds minder in situaties waarin nauwkeurige projectielen noodzakelijk zijn. Terwijl vroegere generaties wellicht ervaring opdeden met hooibalen, sneeuwballen of onverklaarbare dorpsactiviteiten, wordt tegenwoordig zelden nog een beroep gedaan op het vermogen om een object succesvol over anderhalve meter afstand te laten landen.

    Daarnaast draagt deze techniek bij aan een verhoogde culinaire betrokkenheid. Wie spinazie van dichtbij toevoegt, voert een administratieve handeling uit. Wie spinazie van veraf in de wok werpt, participeert in een gebeurtenis. Er ontstaat spanning. Zal de volledige inhoud de pan bereiken? Zal een verdwaald blad op het fornuis terechtkomen? Zal een onverwachte luchtstroom een spinazieblaadje richting de fruitschaal voeren? Deze onzekerheid geeft een gerecht karakter.

    Ook op sociaal vlak zijn de voordelen aanzienlijk. Gasten die getuige zijn van een succesvolle spinazieworp ervaren vaak een plotselinge stijging van hun respect voor de kok. Men spreekt immers niet langer over iemand die een maaltijd bereidt, maar over iemand die onder druk beslissingen durft te nemen. De maaltijd krijgt een narratief element. Er is niet alleen gegeten, er is ook gepresteerd.

    Bovendien creëert de afstand tussen zak en wok een vorm van discipline. Men leert anticiperen, plannen en rekening houden met de opmerkelijke eigenschap van spinazie om binnen enkele seconden te veranderen van een imposante berg bladeren in een bescheiden groen hoopje dat nauwelijks nog zichtbaar is. De worp wordt daarmee een ritueel, een moment waarop verwachtingen letterlijk door de lucht bewegen.

    Misschien ligt daarin wel het grootste culinaire voordeel besloten. Koken is niet uitsluitend het combineren van ingrediënten, maar ook het vormgeven van herinneringen. En weinig handelingen zijn memorabeler dan het zien van een wolk spinaziebladeren die, gedragen door hoop, berekening en een lichte mate van overmoed, haar bestemming vindt in een gloeiend hete wokpan.

  • De Tuin.

    De Tuin.

    Drie maanden lang bleef het gordijn dicht, niet uit dramatiek maar uit gewoonte die zich langzaam had verdikt tot een zachte barrière tussen binnen en buiten, een textiele muur die het daglicht temperde tot een vaag vermoeden en de tuin reduceerde tot een abstract idee, iets dat bestond in herinnering maar niet in zicht, alsof wat zich daar bevond evengoed opgelost kon zijn in een ondefinieerbare duisternis zonder dat ik het direct zou merken, en wanneer ik op een ochtend besluit het koord vast te pakken en de stof opzij te schuiven, doe ik dat met een lichte aarzeling, alsof ik een verzegelde kamer open waarin de tijd zich ongestoord heeft opgehoopt.

    Het gordijn glijdt met een droog geritsel langs de rail, stofdeeltjes lichten kort op in een schuine baan zon die plotseling naar binnen valt, en mijn ogen knipperen terwijl het raam, dat maandenlang een spiegel was voor mijn eigen interieur, opnieuw transparant wordt en de tuin zich aandient in onverwachte volledigheid, niet als een gapende leegte of een vormloze schaduw maar als een verzameling herkenbare contouren: het gras dat nog steeds gras is, zij het iets hoger en minder gedisciplineerd, de struiken die hun takken hebben uitgebreid zonder toestemming te vragen, de tuintafel die onverstoord op haar plek staat alsof zij een wacht heeft gelopen in mijn afwezigheid.

    Er was een deel van mij dat, hoe onlogisch ook, had overwogen dat buiten misschien was verdwenen, dat de maanden van niet-kijken een soort ontbinding hadden veroorzaakt waardoor de tuin, onbewaakt door mijn blik, langzaam was opgeslokt door iets onzichtbaars, een zwart gat dat zich voedt met verwaarloosde ruimtes, maar wat ik zie is geen afgrond maar continuïteit, geen leegte maar een stille voortzetting van groei, waarbij klimop zich langs de schutting heeft verplaatst, onkruid zijn eigen plan heeft getrokken tussen de tegels, en een vergeten bloempot koppig een scheut groen omhoog duwt alsof hij mij wil herinneren aan de hardnekkigheid van leven dat geen publiek nodig heeft.

    Het licht valt anders dan ik me herinner, scherper misschien, of ben ik het die veranderd is, maar de kleuren, hoewel gedempt door het glas, bezitten een stevigheid die mij geruststelt, een bevestiging dat de wereld buiten mijn kamer niet afhankelijk was van mijn aandacht om te blijven bestaan, dat zij haar eigen ritme heeft gevolgd terwijl ik mij terugtrok achter stof en schaduw, en in dat besef schuilt een merkwaardige opluchting: de angst voor totale verdwijning blijkt ongegrond, de tuin is niet ingestort in kosmische duisternis maar heeft zich eenvoudigweg voortgezet, blad na blad, dag na dag.

    Ik blijf even staan met het gordijn half in mijn hand, alsof ik het elk moment weer zou kunnen sluiten om deze bevestiging uit te stellen, maar de openheid voelt minder bedreigend dan ik had verwacht, en terwijl een lichte wind een tak doet bewegen en een vlek zon over het gras schuift, begrijp ik dat sommige ruimtes, hoe lang je ze ook negeert, niet wachten op jouw toestemming om te blijven, dat zij zich handhaven in hun eigen stille volharding, en dat het openen van een gordijn soms minder een onthulling van verlies is dan een onverwachte ontmoeting met iets dat er al die tijd gewoon was.

Proudly powered by WordPress

Up ↑

en_USEnglish