-
My No Man's Land

My No Man's Land is AI generated. Both in text and image. The only human thing in this process is the initial question. A slightly surreal opening question about our current reality. The artificial intelligence answers. Is this the new reality?
Now also in a book. Order Primal Soup and/or Strawberry Submarine with the button below.

Most read articles.
Register or follow us on Facebook or Instagram for a daily artificial vision of reality.
-
Schaduwkost.

In het café kreeg je na middernacht geen dessert meer, maar soms nog een schaduw. De uitbater schoof dan een klein bord onder de lamp en legde er met zijn hand een donkere vorm op. Die bleef liggen wanneer hij zijn hand weghaalde. Het was een eenvoudige bereiding, afhankelijk van de stand van de lamp en de mate waarin de avond zich al had verdicht. De vrouw aan de bar had er niet om gevraagd. Ze was binnengekomen omdat haar jas doorweekt was en de volgende tram nog lang op zich liet wachten. Onder de jas droeg ze iets glanzends dat in deze verlichting minder feestelijk leek dan eerder op de avond. Haar make-up zat nog op haar gezicht, maar had de oorspronkelijke verdeling verlaten. De uitbater zette het bord neer. Ze proefde voorzichtig met het lepeltje. Vanille, onmiskenbaar, maar zonder de zoete aandrang waarmee vanille zich meestal aankondigde. De smaak verscheen pas nadat ze had doorgeslikt, op de plaats waar je anders merkte dat iets voorbij was. Buiten maakte een auto een brede golf door de goot. Binnen bleef het bord droog en donker.
De beste schaduw kwam volgens de uitbater van voorwerpen die lang genoeg waren gebruikt om niet meer alles terug te kaatsen. Nieuwe glazen leverden een dunne smaak op. Een onbeschadigde lepel gaf bijna niets. Zijn oude koffiekan daarentegen wierp een schaduw met een zachte, diepe vanilletoon en een klein bitter randje dat bij sluitingstijd goed paste. Hij beweerde niet dat dit voor iedereen gold; het was tenslotte zijn lamp. De vrouw schoof haar eigen hand erboven. Haar schaduw viel op het bord, smaller dan ze had verwacht. Zij nam nog een hapje. Deze keer proefde ze een station, niet letterlijk de tegels of de remmen, maar het ogenblik vlak voordat iemand je tussen de reizigers herkent. Ze keek op. De uitbater was bezig een nat glas te drogen. Hij vroeg niets. Dat vond ze prettig. In de loop van de avond waren er al voldoende vragen geweest waarop een vrolijk antwoord leek te worden verwacht. Hier mocht een smaak even bestaan zonder direct te worden uitgelegd. Ze draaide het bord een kwartslag. De schaduw veranderde niet. Eenmaal geserveerd was de richting van het licht blijkbaar van minder belang dan de tijd die je ervoor nam.
Toen de tram bijna kwam, trok ze haar jas weer aan. Hij was aan de buitenkant nog vochtig, maar de voering voelde warm van de radiator. Op het bord lag een kleine rest schaduw. Ze vroeg of die weggegooid werd. De uitbater schudde zijn hoofd en schoof het bord onder de bar, waar het donker zich zonder moeite bij de omgeving aansloot. Weggooien was hier geen zinvolle handeling. Hooguit moest je oppassen dat er niet te veel schaduw op één plek werd bewaard, want dan kreeg de hele zaak die zware zoetheid van een kamer waar niemand meer wilde vertrekken. De vrouw betaalde haar koffie. Voor de schaduw stond niets op de rekening; die hoorde bij het licht dat hij toch al had laten branden. Bij de deur bleef ze even staan om haar sjaal goed te trekken. De uitbater zag haar in het raam weerspiegeld, tussen de regenstrepen en de lamp. Ze glimlachte niet speciaal naar hem. Ze had alleen even minder haast met haar gezicht. Daarna stapte ze naar buiten. Op de bar lag de schaduw van het lege kopje. Hij liet haar liggen tot hij zelf klaar was met afwassen.

-
Laagte.

Het trapje had de skyline gezien door het keukenraam en beschouwde sindsdien twee treden als een voorlopig stadium. Het stond gewoonlijk tussen de koelkast en de muur, waar het uitzicht voornamelijk bestond uit een verdwaalde elastiek en de achterkant van dingen. Dat deed zijn verwachtingen geen goed. Zodra iemand het uitklapte, verlengde het daarom in gedachten zijn poten. De eerste keer merkte de vrouw er weinig van. Ze pakte een schaal uit het bovenste kastje en moest bij het afstappen iets langer zoeken naar de vloer. De tweede keer keek ze vanaf de bovenste trede ineens over het dak van het huis aan de overkant. Buiten was het net opgehouden met regenen. De stad lag open, glanzend en veel groter dan de taak waarvoor ze omhoog was gegaan. Het trapje kraakte tevreden. De vrouw hield de schaal tegen haar buik en wachtte tot de keuken weer op een redelijke afstand kwam. Ze was moe, had een trui over haar dunne jurk aangetrokken en wilde soep opwarmen. Voor een uitzicht waarvoor je duizelig moest worden bestond op dat moment weinig belangstelling.
Dat vond het trapje moeilijk te begrijpen. Vanuit zijn positie was hoogte de enige duidelijke maat voor vooruitgang. Een extra trede betekende meer bereik, meer aanzien, mogelijk zelfs een rol in een belangrijke foto. Het begon zich daarom op ongelegen momenten te verheffen. Tijdens het ramenlappen groeide het tot boven de dakgoot. Bij het vervangen van een lamp bracht het de fitting buiten handbereik doordat ook het plafond uit beleefdheid meeging. Het huis raakte geleidelijk ontregeld door een hulpmiddel dat geen hulp meer wilde zijn. De vrouw zette het ten slotte op het balkon, tussen een lege bloempot en de wasmand. Daar mocht het nadenken zonder dat zij telkens mee omhoog hoefde. De wind trok door zijn scharnieren. Vanuit de straat zag het er niet indrukwekkend uit. Het was een klein aluminium trapje met een vlek muurverf op de bovenste trede, en de wolken schonken er dezelfde hoeveelheid aandacht aan als aan iedere andere lage constructie. Op een avond begon het weer te regenen. Het trapje zag zijn weerspiegeling in een plas op het balkon en ontdekte tot zijn ergernis dat het daar dieper was dan hoog. Er viel nergens een verdienste aan vast te maken.
De vrouw kwam met een nat laken naar buiten. Het droogrek binnen was te klein en de lijn onder het afdak hing te hoog om er zonder hulpmiddel bij te kunnen. Ze klapte het trapje open. Het zette zich schrap voor zijn volgende stijging, maar haar hand bleef even op de bovenste trede liggen. Daarna stapte ze erop, hing het laken op en rekte haar arm uit naar de laatste knijper. Het trapje bleef precies even hoog. Niet uit inzicht; een scharnier was door het regenwater stroef geworden. Toch bleek die stilstand iets mogelijk te maken wat bij alle eerdere verheffingen was mislukt. De vrouw kon beide handen gebruiken. Het laken ving een zachte wind en trok zich bol tot een witte ruimte tussen haar en de donkere stad. Voor een ogenblik zag het trapje niets dan licht dat door nat katoen viel. Zij stapte af, veegde met haar duim de verfvlek aan en liet het onder het afdak staan. Het hoefde niet terug achter de koelkast. Later die avond zag het trapje de verlichte ramen van de hoogste gebouwen door het laken heen. Ze waren vaag en mooi, maar er hing hier iets te drogen.

-
Stoelwarmte.

De vrouw is vertrokken, maar de stoel is nog niet leeg. Dat stelt de man vast wanneer hij zijn hand op het fluweel legt, zogenaamd om te controleren of er niets is blijven liggen. Er is inderdaad iets blijven liggen. Een hoeveelheid warmte, ongeveer ter grootte van iemand die besloot verder te gaan.
Op de tafel staat alleen haar lege kopje. De rekening is betaald, de deur gesloten, maar onder zijn vingers bevindt zich een restant aanwezigheid waarvoor geen administratieve regeling bestaat. Men mag een jas ophangen, een tas meenemen, een paraplu vergeten. Voor achtergelaten lichaamstemperatuur is nergens een haakje.
Hij houdt zijn hand stil. Niet uit sentimentaliteit, zegt hij tegen niemand, maar omdat bewegen de meting zou verstoren. Het fluweel geeft langzaam terug wat het heeft ontvangen. Kennelijk heeft zitten gevolgen die langer duren dan de beslissing om op te staan. Dat maakt vertrek minder nauwkeurig dan wordt aangenomen.
Een nieuwe bezoeker zou kunnen beweren dat de stoel vrij is. Er ligt immers geen krant op, geen handschoen, geen briefje met een voornaam. Toch is de zitting bezet door iets wat nog niet helemaal is afgekoeld tot openbare ruimte. Wie nu plaatsneemt, gaat gedeeltelijk zitten in de lichamelijke nalatenschap van een onbekende.
Juridisch lijkt dat ingewikkeld. Warmte heeft geen handtekening en weigert onderscheid te maken tussen een rechtmatige eigenaar en iemand die een plekje bij het raam zoekt. Zij verspreidt zich zonder toestemming, laat zich niet terugvorderen en vermindert juist wanneer iedereen haar zorgvuldig met rust laat. Bewaren betekent hier verliezen.
De man kijkt naar zijn eigen stoel. Ook daar heeft zich een voorraad van hem verzameld. Hij draagt een donker jasje, zijn overhemd staat open bij de hals, en onder dat alles blijkt hij voortdurend iets af te staan waaraan hij nooit aandacht heeft besteed. Zijn aanwezigheid is genereuzer dan zijn gesprekken.
Vroeger dacht hij dat een indruk achterlaten vooral met woorden te maken had. De juiste opmerking, een verhaal dat later nog eens werd naverteld, desnoods een overtuigende stilte. Nu blijkt een halfuur rustig zitten eveneens voldoende om de wereld merkbaar anders achter te laten. Geen blijvende verandering, natuurlijk. Daar moet men nu voorzichtig mee worden.
Aan de overkant vraagt iemand of de stoel nog bezet is. Een vrouw met zilveren draden in haar haar, haar jas over één arm, de andere hand al licht op de rugleuning. Hij zou kunnen uitleggen dat de vorige bezoeker thermisch nog niet helemaal is uitgecheckt. Het is een juiste mededeling die vermoedelijk een verkeerd gesprek zou openen.
Daarom staat hij op en schuift de stoel een stukje naar achteren. Zij gaat zitten, kijkt even verrast en trekt vervolgens haar handschoenen uit. Buiten wordt het kouder. Binnen heeft iets de oversteek gemaakt zonder naam, zonder afspraak en zonder dat iemand er een verdienmodel tussen kon zetten. De man neemt zijn eigen plaats weer in. Zijn stoel heeft op hem gewacht. Dat voelt niet als bezit, eerder als een kleine beleefdheid van materiaal dat hem nog even herkent nu hij terug is.

-
Duimverlof.

Op maandag stonden zijn duimen naast de andere vingers, alsof ze na jaren afzondering weer bij de groep wilden horen. Ruben merkte het toen hij zijn tandenborstel oppakte. Hij kon hem wel tegen zijn handpalm drukken, maar de vertrouwde klem bleef uit. De duimen zagen er verder gewoon uit. Ze hadden dezelfde nagels, dezelfde kleine littekens en dezelfde neiging om het eerst koud te worden. Alleen tegenover de rest van de hand gaan staan, daar begonnen ze niet meer aan. Hij duwde een duim voorzichtig naar buiten. Zodra hij losliet, schoof die weer terug. Er zat niets dramatisch aan; het leek vooral een principiële wijziging van de werkhouding. Na twintig minuten had hij zijn tanden gepoetst en een bericht aan zijn werkgever getypt waarin vier letters te vaak voorkwamen.
Een kennis met belangstelling voor de menselijke evolutie noemde het een terugval. Ruben vroeg naar wat. Daar kwam een uitvoerig antwoord op over gereedschap, beschaving en de bijzondere positie van de duim, maar geen bruikbare aanwijzing voor het dichtmaken van zijn broek. Het woord terugval beviel hem niet. Zijn handen waren nergens heen gereisd; ze bevonden zich nog altijd aan het einde van dezelfde armen. Op kantoor kreeg hij een presentatie te zien over wendbaarheid, waarvan hij de afstandsbediening niet kon vasthouden. Een collega opende zijn fles water zonder er iets bij te zeggen. Dat was de eerste handeling die werkelijk hielp. Die avond schreef Ruben een lijstje van alle voorwerpen die blijkbaar al jaren een afspraak met zijn duimen hadden. Het lijstje werd zo lang dat hij moest stoppen omdat de pen uit zijn hand gleed.
De volgende dagen richtte hij zijn keuken anders in. Hij zette potten in een houten klem, schoof antislipmatjes onder kommen en verving een kleine draaiknop door een grotere hendel. Zijn buurvrouw kwam helpen met schroeven. Ze noemde het geen overwinning en ook geen inspirerend proces, wat Ruben aangenaam vond. Bij de derde kast vroeg ze of hij misschien gewoon kwaad was. Hij zei dat hij vooral genoeg had van voorwerpen die maar op één soort hand rekenden. Samen bleven ze even voor de kast staan. De kast voelde zich niet aangesproken, maar kreeg wel een andere greep. Later at hij brood van een bord dat niet meer wegschoof. De aanpassingen maakten niet alles makkelijk; sleutels, knopen en muntgeld bleven een dagelijks gepruts. Wel hoefde hij minder vaak te doen alsof onhandigheid een persoonlijke tekortkoming was.
Na drie weken begon zijn linkerduim opeens weer mee te werken. Het gebeurde zonder aankondiging, toen hij een lege envelop van de vloer pakte. De rechter bleef bij zijn besluit. Daardoor ontstond geen fraai herstelverhaal maar een ongelijk huishouden van twee handen die verschillende mogelijkheden hadden. Ruben hield de nieuwe grepen en matjes. De kennis vroeg of hij de ervaring nu als een verrijking zag. Ruben zei dat hij hem vooral als drie weken zag. Daarna draaide hij met links de dop van een fles en schoof die naar rechts om in te schenken. Het ging langzaam genoeg om op te vallen en gewoon genoeg om er geen bijeenkomst aan te wijden. Op zijn lijst van voorwerpen zette hij onderaan een extra regel: niet alles hoeft terug naar de oorspronkelijke stand. Hij bedoelde in de eerste plaats de kast, maar liet de zin verder open.

-
Reserveknoop.

Ik zit aan de binnenkant, laag genoeg om langs een knie te schuren, hoog genoeg om nooit te kunnen vaststellen waarheen wij gaan. Vier gaten heb ik. Dat geldt als opleiding. Toch sluit ik niets, houd niets bijeen en word uitsluitend meegenomen omdat er ooit iets mis zou kunnen gaan.
Aan de voorkant werken er vijf. Ik hoor hoe zij door hun openingen worden geduwd, hoe de stof zich om hen heen spant wanneer buiten de wind aantrekt. Zij hebben uitzicht. Zij kennen de gezichten van mensen die ons tegemoetkomen. Eén van hen bevindt zich ter hoogte van het hart, een plaats waarover ik liever niet nadenk.
Mijn eigen positie is administratief. Ik behoor bij de jas, maar niet bij wat de jas dagelijks doet. Wanneer de voering openvalt, ziet iemand mij soms en zegt dat het handig is. Dat is het woord waaronder mijn hele bestaan wordt opgeborgen. Handig. Zoals een telefoonnummer van iemand die je uitsluitend belt wanneer alle anderen niet opnemen.
Om vooruit te komen moet er een ander verdwijnen. Ik heb geprobeerd die vaststelling anders te formuleren, zachter, met ruimte voor natuurlijke doorstroming en persoonlijke ontwikkeling, maar iedere gedachte eindigt bij hetzelfde losse draadje. Ergens aan de voorkant moet een verbinding bezwijken voordat de mijne betekenis krijgt.
Soms hoor ik bij het dichtknopen een kleine ruk die te lang duurt. Dan beweegt de hoop door mij heen met een snelheid waarvoor ik mij schaam. Ik hoop niet dat hij valt. Ik hoop alleen dat er iets nodig is waaraan ik kan beantwoorden. Tussen die twee gedachten zit minder ruimte dan tussen mijn gaten, en toch probeer ik er al drie winters in te wonen.
De bovenste heeft slijtage aan zijn rand. Hij praat daar niet over; wij praten niet, maar in de manier waarop de stof langs hem schuurt zit de gelatenheid van iemand die bewijst dat hij nog voldoet. Ik luister aandachtig. Misschien is wachten vooral het gedwongen bestuderen van andermans vermoeidheid.
Men zou mij uit voorzorg kunnen gebruiken. Gewoon ergens een opening maken, een nieuw verband verzinnen waarvoor ik onmisbaar ben. Maar dan moet er in een onbeschadigde jas worden geknipt om mijn teleurstelling een functie te geven. Zelfs vanuit mijn overzicht lijkt dat geen zorgvuldig personeelsbeleid.
Vandaag blijven de vijf voor het eerst allemaal open. Buiten is iets veranderd. Er komt licht langs de voering, de wind voelt minder vastberaden en onze eigenaar draagt de jas over een arm, waardoor ik de straat zie, ondersteboven, maar de straat, met fietsen en een hond en iemand die nergens op wacht.
Vanavond hangen wij weer aan de haak. Binnenkort schuiven andere jassen voor ons. Ik voel de draad die mij vasthoudt en probeer niet te denken aan de draad die elders ooit moet breken. Alle vijf zijn er nog. Het is een goede dag geweest. Niemand heeft mij nodig gehad, en terwijl het donker zich zorgvuldig tussen de mouwen vouwt, oefen ik die laatste zin tot hij bijna klinkt als iets waarmee ik gelukkig ben.

-
Veterplicht.

De veter ging los op een plek waar niets geschikt was om een voet op te zetten. Dat was geen toeval. Losse veters verkozen traditioneel de stukken stad waar iedere verhoging óf vuil óf eigendom was. De man liep al sinds de vroege ochtend rond met een stapel sleutels waarvan de meeste deuren hem niet toebehoorden. Hij deed onderhoud in gebouwen waar zijn naam alleen voorkwam wanneer iets niet werkte. Nu zette hij zijn schoen op de onderste rand van een dichtgetimmerd raam en boog voorover. In het glas van het pand ernaast zag hij dat de gevel iets naar hem toe kwam. Hij dacht eerst aan duizeligheid. Zijn knieën bevestigden graag dat lichamelijke vergissingen mogelijk waren. Maar toen hij de twee uiteinden van de veter kruiste, ging het gebouw weer rechtop staan. Hij hield stil. Aan de overkant hing een regenpijp scheef, wachtend op wat er met de lus zou gebeuren. De stad bleek haar verticale toestand die middag aan zijn rechterschoen te hebben toevertrouwd. Het was precies het soort aanvullende taak dat niemand vooraf in een werkoverleg zou hebben genoemd.
Hij maakte de eerste knoop voorzichtig. Boven hem schoven enkele verdiepingen met een zachte zucht terug op elkaar. Er kwam stof uit een kozijn dat al jaren uitsluitend vocht had afgegeven. De man had weinig verstand van constructieberekeningen, maar genoeg ervaring met tijdelijke oplossingen om te weten dat iets wat werkte nog niet noodzakelijk veilig was. Zijn veter was dun op de plaats waar hij steeds door het bovenste oogje trok. Hij had hem vorige week al willen vervangen. Nu werd dat ineens een stedenbouwkundig voornemen. Hij maakte een lus, merkte dat een rij balkons naar links zakte en corrigeerde met zijn duim. De zwaartekracht gedroeg zich als een slecht afgestelde deurdranger: er zat te veel spanning op en de verantwoordelijkheid kwam bij de dichtstbijzijnde monteur terecht. Achter hem liepen mensen door. Een vrouw met een boodschappentrolley moest even om zijn uitstekende elleboog heen. Ze zei niets, maar keek naar zijn schoen en vervolgens naar zijn handen. Hij stond al te lang in dezelfde gebogen houding. De regen liep langs zijn rug zijn broekband in. Er was geen manier om tegelijkertijd een stad overeind te houden en daar iets tegen te doen.
De vrouw parkeerde haar trolley naast hem en hield de bovenste lus vast. Ze had niet gevraagd wat er aan de hand was. Misschien had ze de gevels zien bewegen; misschien zag ze alleen iemand die niet goed meer overeind kwam. Haar vingers waren stevig, met korte nagels en een pleister om één knokkel. Nu de veter niet meer weggleed, kon hij de tweede lus erdoor halen. De knoop trok aan. Over de hele straat klonk het droge tikken van voorwerpen die hun gewone gewicht terugkregen. Een fiets viel om, omdat hij blijkbaar alleen door de tijdelijke scheefstand was blijven staan. De man keek ernaar en besloot dat er grenzen waren. Hij zette zijn voet op de grond. Het kostte enige tijd om zijn rug te overtuigen hetzelfde te doen. De vrouw trok haar trolley achter zich aan; één wiel tikte bij elke omwenteling. Hij bedankte haar toen ze al een paar passen verder was. Ze stak een hand op. Die avond zou hij de veter thuis vervangen, had hij zich voorgenomen. Maar eerst moest hij het laatste gebouw nog afsluiten. Hij liep behoedzaam verder, met een dubbele knoop waar de stad niets van hoefde te weten.

-
Draagkracht.

De tafel beweegt telkens wanneer iemand een mening neerlegt. Een elleboog is voldoende, soms zelfs het voorzichtige gewicht van een vraag, en onmiddellijk trekt er een kleine golf door de koffie, alsof de werkelijkheid bezwaar maakt tegen het gesprek dat op haar wordt gevoerd. De ober knielt. Hij heeft een kassabon bij zich.
Tot dat moment was het papiertje uitsluitend een verslag van verdwenen geld. Twee koffie, een tosti, iets waarvoor niemand zich verantwoordelijk voelde. Het droeg getallen die hun werk al hadden gedaan en daarom alleen nog bewaard werden voor een administratie waarin het verleden alsnog overzichtelijk moest worden. Nu wordt het dubbelgevouwen. Daarna nog eens. Voor het eerst ontstaat er hoogte.
Onder de kortste tafelpoot geschoven krijgt de bon een functie waarvoor geen van zijn bedragen toereikend was. Het papier houdt iets overeind. Daadwerkelijk: hout, porselein, melk, de hand van een vrouw die zojuist heeft besloten nog even te blijven.
Hier begint de economie zich ongemakkelijk te gedragen. De oorspronkelijke rekening is betaald, het verschuldigde bedrag is afgehandeld, en toch levert het bewijsstuk nu meer op dan de consumpties waarop het betrekking had. De koffie verdwijnt. De tosti wordt vergeten. De bon voorkomt dat een onbekende zijn cappuccino over een sollicitatiebrief uitstort en daardoor afziet van een baan waarin hij later iemand zou ontmoeten.
Men kan de gevolgen nauwelijks begrenzen. Een tafel die blijft staan, maakt een gesprek mogelijk; een gesprek maakt een afspraak mogelijk; een afspraak houdt een straat, een kantoor, een huwelijk voorlopig in bedrijf. Wie deze keten terugvolgt, belandt vanzelf op de vloer, waar onder een houten poot een onleesbaar bedrag tegen de tegels wordt gedrukt.
Er zou toezicht moeten komen, vindt iemand. Een keurmerk voor dragende bonnetjes, een inspecteur die met een zaklamp controleert of de korting wel correct naar binnen is gevouwen. Maar zodra men het papier verwijdert om zijn betrouwbaarheid vast te stellen, begint alles opnieuw te schommelen. Controle blijkt hier een vorm van ontwrichting. De inspecteur kan beter iets bestellen.
Intussen trekt vocht vanuit de vloer in de onderste laag. Langzaam worden de vezels zachter. Boven schuift een suikerpot naar het midden, onder vervaagt het woord totaal. Niemand ziet hoe de hele middag inmiddels rust op de prijs van een extra plak kaas, laat staan hoe weinig weerstand die kaas nog kan bieden aan het naderende einde.
Ik zou iets moeten zeggen, maar de vrouw tegenover mij is eindelijk begonnen aan het verhaal waarvoor zij hierheen kwam. Haar vingers liggen stil naast het kopje. De ober haalt ergens een emmer tevoorschijn. Het gesprek is broos, de tafel houdt zich uitstekend en het papiertje draagt, zonder belangstelling voor erkenning, alles wat wij vandaag nog proberen te worden. Misschien is dat voorlopig voldoende om een beschaving op te laten rusten. Niet op vertrouwen in de toekomst, maar op drie vouwen en een vergeelde herinnering aan de lunch. Ik steek mijn hand op, zo rustig mogelijk, want iedere abrupte beweging kan nu betekenis krijgen, en vraag of men de vloer voorlopig niet wil dweilen.

-
Binnenrand.

Ze wilde alleen de buitenkant afnemen. De band stond op tafel, gemaakt van een strook dik papier waarvan de uiteinden na een halve draai aan elkaar waren geplakt. Er lag stof op, zoals op alles wat lang genoeg een vorm volhield. De vrouw zette een vochtige doek tegen het oppervlak en begon te vegen. Eerst aan de kant die naar haar toe gericht was, daarna langs de bocht, vervolgens schijnbaar aan de achterkant, tot ze zonder de rand te passeren terugkwam waar haar hand begonnen was. Het papier had haar ondertussen aan de andere kant van haar eigen voornemen gebracht. Ze keek door de lus naar de tafel. Het tafelblad leek nu buiten de kamer te liggen. Dat was hinderlijk, want daarop stonden haar sleutels. Een Möbiusband had volgens de vertrouwde beschrijving één zijde en één rand. Daar was op papier weinig tegen in te brengen. Maar zodra je die eigenschap huishoudelijk toepaste, bleek het onderscheid tussen de kant waarvoor je verantwoordelijk was en de kant die een ander maar moest schoonmaken betrekkelijk slecht vast te zitten.
De lus werd groter naarmate ze verder veegde. Niet dikker of zwaarder, alleen begaanbaarder. Tussen haar duim en de bocht ontstond een pad waarlangs een stoel kon staan; even verder verscheen het raam, nu liggend op een vlak dat toch niet horizontaal wilde heten. Ze liep de stofdoek achterna. Wat zij binnen noemde werd onderweg buiten zonder dat er een deur was geweest. De regen op het raam lag even later onder haar voeten, maar bleef achter glas. Haar jas hing aan een haak die ze normaal alleen vanuit de gang kon zien. Niemand had iets verplaatst. De samenhang van de ruimte was veranderd, alsof het huis eindelijk toegaf dat al zijn kamers uit dezelfde dunne afspraak bestonden. Er was nog wel een rand. Die liep als een ononderbroken kustlijn langs de hele situatie, maar bood geen eenvoudige ontsnapping van de ene zijde naar de andere, omdat die zijden niet afzonderlijk bestonden. De vrouw begreep nu waarom bepaalde gesprekken altijd terugkeerden op een plek die men zorgvuldig had vermeden. Je kon lang genoeg om een onderwerp heen lopen om midden in jezelf terecht te komen, zonder ooit een grens te hebben overtreden.
Bij de naad hield ze halt. Er zat een klein randje lijm, slecht gladgestreken toen de band was gemaakt. Dat was het enige punt waar de wereld toegaf in elkaar te zijn gezet. De vrouw streek er niet overheen; ze legde haar doek neer. Het ding had aan beide kanten vocht opgenomen, voor zover die uitdrukking nog bruikbaar was. In het midden bleef een droge vouw zitten. Ze trok het papier voorzichtig los bij de naad. De halve draai ontspande, de band werd weer een strook en de kamer kreeg haar gebruikelijke binnenkant terug. Het raam stond overeind. De sleutels lagen bereikbaar op tafel. Toch zag de strook er minder vanzelfsprekend uit dan tevoren. Wat zojuist één samenhangend oppervlak was geweest, bezat nu twee zijden en een rand die weer een rechthoek omsloot, allemaal veroorzaakt door een handeling die weinig moeite had gekost. Ze draaide het papier om en zag een plek stof die ze had gemist. Daar moest ze om lachen, kort en zonder toeschouwer. Zelfs in een wereld waarin binnen en buiten samenvielen, was het haar kennelijk gelukt ergens niet bij te kunnen. Ze vouwde de strook op en legde hem onder de wiebelende tafelpoot. Daar hielp hij meteen.

-
Schouderdelta.

Toen Ada haar nieuwe pasfoto ging ophalen, wees de fotograaf op een oneffenheid aan de linkerkant van haar hals. Hij kon die desgewenst wegwerken. Ada keek goed en herkende een plooi die daar de week ervoor nog niet had gezeten. Onder haar blouse liep hij door tot op de schouder, vertakte zich en eindigde in een afgeronde richel. De fotograaf zei dat het licht soms vreemde dingen deed. Thuis trok ze haar blouse uit en zag dat het licht deze keer weinig verantwoordelijkheid droeg. Over beide schouders lagen lage, donkere ribbels, met daartussen de vertrouwde huid. Ze waren niet heet en deden geen pijn. Als ze haar arm optilde, bewogen ze gewoon mee. Ze maakte een foto voor haar dochter, maar verwijderde die voordat ze hem verstuurde. Die zou meteen bellen en Ada had nog aardappelen opstaan.
Een paar dagen later zag ze in een boek een gestolde lavastroom met een oppervlak van dikke, gedraaide plooien. De overeenkomst was zo duidelijk dat ze het boek open naast de spiegel legde. Dit was geen bewijs dat haar schouders van basalt werden. Het was een vormverwantschap: materiaal dat had bewogen en waarvan de beweging daarna leesbaar bleef. Alleen wist Ada niet wat er over haar schouders had gestroomd. Ze dacht aan boodschappentassen, aan kinderen die lang geleden op haar nek hadden gezeten en aan de keren dat ze had willen ophalen maar haar schouders op hun plaats had gehouden. Vooral dat laatste leek sporen achter te laten. Iedere keer dat ze voortaan dacht dat zal dan wel, zonder het te zeggen of zichtbaar te maken, kwam er tegen de avond een kleine richel bij. Een week familiebezoek leverde een heel nieuw dal op.
Haar dochter reageerde rustiger dan verwacht. Ze vroeg of de plooien in de weg zaten en of Ada misschien een andere kraag wilde. Samen bekeken ze het oppervlak onder een bureaulamp. Een smalle richel liep van een bijna vergeten verjaardag naar de opmerking van de buurman dat ze haar tuin minder wild moest laten worden. Ada kon niet verklaren hoe ze dat wist. De kaart had geen legenda, maar wel een hardnekkige precisie. Haar dochter wilde de schouders eerst fotograferen en vervolgens iedere plooi een naam geven. Ada hield daar na drie namen mee op. Niet alles wat zich had afgezet, hoefde opnieuw een gesprek te worden. Ze koos een blouse met een wijde hals en ging naar buiten. De buurman vroeg of er iets mis was met haar huid. Ze zei dat ze liever over zijn hortensia’s praatte. Voor het eerst in dagen bleef haar schouderoppervlak die avond hetzelfde.
In de herfst gebruikte ze een van de nieuwe richels om de band van haar tas op zijn plaats te houden. Dat was niet de bedoeling van het verschijnsel, voor zover het al een bedoeling had, maar wel praktisch. De vormen verdwenen niet zodra ze vaker nee zei; het lichaam ruimde zijn geschiedenis niet zo beleefd op. Er groeide alleen minder bij. Soms streek ze met een hand over haar andere schouder en voelde de zachte rand van iets wat inmiddels was uitgewerkt. De fotograaf belde nog één keer om te vragen of ze de aangepaste pasfoto wilde bestellen. Ada koos de oorspronkelijke. Op de foto was nauwelijks iets van het landschap te zien, alleen een kraag die een beetje omhoogstond. Het beviel haar dat een hele reeks ingehouden reacties officieel kon voortleven als een kleine onregelmatigheid in de kleding.

-
Kieuwpauze.

De eerste kieuw verscheen tijdens het bespreken van de kwartaalplanning, vlak onder Marleens linkeroor. Ze voelde geen pijn, alleen een koel lijntje waar haar kraag tegenaan schuurde. In de spiegel van het toilet zag ze drie fijne plooien die op het verkeerde moment opengingen. Zodra iemand naast haar een handendroger aanzette, sloten ze zich weer. Thuis probeerde ze een nat washandje, een kom water en voorzichtig de douche. Daarvan werden de plooien uitsluitend nat. Ze kon er niet door ademen en had er geen enkele behoefte aan in een zwembad te stappen. De volgende ochtend ontstond aan de andere kant hetzelfde patroon. In de lift hield een collega zijn pasje bij haar hals, omdat hij dacht dat het misschien een nieuwe toegangstechniek was. De deur ging niet open. Ze moesten gewoon op de knop drukken.
Pas bij de wekelijkse vergadering werd de functie duidelijk. De directeur vroeg of er nog bezwaren waren en keek vervolgens op zijn laptop. In de stilte die ontstond, gingen de kieuwen open en nam Marleen iets op waarvoor ze geen ander woord had dan ruimte. Het was geen lucht; haar longen werkten onveranderd door. Het voelde alsof een te strakke gedachte een knoop losmaakte. Zodra de directeur zei dat hij dan aannam dat iedereen akkoord was, klapten de plooien dicht. Marleen stak haar hand op. Ze had wel degelijk een bezwaar, namelijk dat een stilte niet automatisch toestemming betekende. Dat was meteen het einde van de gunstige omstandigheden. De notulist schreef dat Marleen moeite had met de doorlooptijd. Over de kieuwen werd niets genoteerd, omdat die niet op de agenda stonden.
Een deskundige die door personeelszaken was ingehuurd, noemde het een evolutionair uitstapje. Hij vertelde er uitdrukkelijk bij dat evolutie in de gewone biologie geen bureau was dat op dinsdag een nieuwe medewerkerfunctie ontwierp. Maar voor wat er met Marleen gebeurde, had ook hij alleen een voorlopige omschrijving. Hij stelde voor om elke vergadering twee minuten stil te laten vallen. Dat voorstel kreeg onmiddellijk een werkgroep, een schema en een voorzitter die de stilte ging begeleiden. De voorzitter telde hardop af, vroeg halverwege hoe iedereen het vond en sloot af met een toelichting. Marleens kieuwen bleven dicht. Haar collega’s wezen erop dat zij nu al drie vergaderingen extra hadden bijgewoond vanwege een voorziening die nog steeds niets opleverde. Ze voelde zich bijna verplicht de plooien op eigen kracht open te trekken, maar wist gelukkig niet hoe.
Op vrijdag bleef ze na het overleg zitten om haar aantekeningen te ordenen. De schoonmaker kwam binnen, knikte en begon op zijn gemak stoelen recht te zetten. Hij vroeg niets over haar hals. Er was geluid genoeg: poten over linoleum, een emmer tegen de deur, ergens een telefoon. Toch gingen de kieuwen open. Blijkbaar hadden ze geen absolute stilte nodig, maar de afwezigheid van iemand die het beschikbare moment alvast in bezit nam. Marleen legde haar pen neer. Na een tijdje vroeg de schoonmaker of zij klaar was met de tafel. Ze zei ja en stond op. Haar halsplooien sloten zich zonder protest. De maandag daarop schrapte ze zichzelf uit de werkgroep. Als reden vulde ze in dat de omgeving van het verschijnsel voorlopig meer onderzoek nodig had dan het verschijnsel zelf. Daar kwam geen antwoord op. Dat werkte uitstekend.

