Het labeltje ligt droog op tafel. Aan de andere kant van de porseleinen rand wordt intussen alles uit het zakje getrokken wat het aan smaak heeft bezeten. Er stijgt damp op. Het water verkleurt. Alleen het papier buitenboord blijft kalm vermelden waar de inhoud vandaan komt, alsof afkomst een afdoende antwoord is op wat iemand doormaakt.
Die verdeling wringt. Het ene deel ondergaat de gebeurtenis, het andere verzorgt de communicatie. Tussen beide loopt een dun touwtje dat sterk genoeg moet zijn om verbondenheid aannemelijk te maken, maar kennelijk niet dik genoeg om de warmte eerlijk te verdelen.
Men kan het label als vertegenwoordiger beschouwen. Het houdt contact met de droge wereld, waar mensen nog beschikken over koekjes, tafelbladen en de vrijheid om weg te lopen. Wanneer de situatie in het kopje onhoudbaar wordt, is het label bereikbaar. Er hoeft maar iemand aan te trekken of de hele natte werkelijkheid komt omhoog. Dat is een aanzienlijke verantwoordelijkheid voor bedrukt papier.
Toch wringt er iets aan zijn houding. Terwijl binnen de bladeren opzwellen en hun vroegere vorm verliezen, verandert buiten vrijwel niets. Het label blijft zichzelf. Het kan zich later op de volledige ervaring beroepen zonder ook maar een ogenblik te hebben gedreven in dat donkere water. Een gunstige positie voor iemand die aan hetzelfde touwtje zit.
Misschien is het geen vertegenwoordiger, maar een achterblijver. Iets wat op de kade staat terwijl een ander vertrekt, vastgehouden door een verbinding die ieder moment kan slapvallen. Dan krijgt die droge onbeweeglijkheid een andere betekenis. Je hoeft niet zelf ondergedompeld te zijn om bang te worden van de diepte. Soms bestaat nabijheid uitsluitend uit het niet loslaten van een draad.
Het kopje zwijgt hierover. Het heeft een oor, maar doet daar diplomatiek niets mee. De lepel ligt ernaast en zou kunnen ingrijpen, al zou zijn tussenkomst waarschijnlijk vooral beweging veroorzaken. Voor bemiddeling is meer nodig dan het vermogen om overal in te roeren.
Ik bekijk het touwtje nauwkeuriger. Bij de rand is het nat geworden. De grens blijkt minder scherp dan ik dacht. Langzaam kruipt de thee omhoog, vezel voor vezel, in de richting van het gedeelte dat buiten schot leek te blijven. Ook afstand heeft kennelijk een verzadigingspunt. Wat je vertegenwoordigt, trekt uiteindelijk in je kleren.
Dan verschuif ik het kopje. Een kleine beweging, achteloos, maar het touwtje spant zich en het label schuift over het hout naar de rand. Even hangt het boven het water. Alle verklaringen verliezen hun gewicht. Of het laf was, loyaal of gewoon verkeerd neergelegd, doet er weinig toe zodra het dreigt te verdwijnen.
Met mijn wijsvinger houd ik het tegen. Het papier plakt een beetje aan mijn huid. Ik leg het verder van het kopje, waar de tafel nog droog is, en maak daarmee de ongelijkheid groter die ik had veroordeeld. Binnen trekt de thee verder. Buiten ligt het label veilig. Tussen beide loopt hetzelfde touwtje, en ergens langs die korte afstand ben ik partij geworden, zonder dat iemand mij vroeg namens wie ik aan deze tafel zit.


Geef een antwoord