De gedachte “als je hier bent ben je hier en als je daar bent ben je daar” lijkt op het eerste gezicht een futiele tautologie, een onschuldige kringloop van woorden die niets doet dan terugkeren naar zichzelf, maar wanneer je haar langzaam uit elkaar trekt als een sliert koud kauwgom die weigert los te laten, ontvouwt zich een beeld dat tegelijk helder en ontglippend is, een situatie waarin iemand – misschien jij, misschien een naamloos figuur dat slechts bestaat bij gratie van onze verbeelding – op een verlaten plein staat waar de ochtendmist net begint op te tillen, terwijl de tegels onder zijn voeten nog vochtig zijn van een nacht die meer vragen dan antwoorden achterliet, en waarin het besef indaalt dat elke plek waar een lichaam zich bevindt een dwingende waarheid uitspreekt, een waarheid die nooit gecompliceerd lijkt tot je haar probeert te negeren, want dan verandert ze in een spiegel zonder glas, een echo zonder bron, een voortdurend fluisteren dat zegt dat aanwezigheid onontkoombaar is.
Levend.
De uitspraak "De stad leeft" wordt vaak metaforisch gebruikt om de drukte en dynamiek van een stad te beschrijven. Maar stel je eens voor dat deze uitspraak letterlijk waar is: de stad leeft. Gebouwen, straten en zelfs bruggen hebben een eigen bewustzijn en reageren op hun omgeving en bewoners. Hoewel het idee fascinerend is, brengt een levende stad ook tal van praktische uitdagingen en onoverkomelijkheden met zich mee.
