Droogvak.

De stoel in het bushokje was nat, hoewel hij onder een dak stond. Dat kwam vaker voor bij gemeentelijke voorzieningen: ze voldeden aan de tekening en lieten de rest aan het weer over. De man die er elke ochtend langs liep had een doek in zijn jaszak. Hij maakte kantoren schoon voordat de mensen kwamen die later zouden vaststellen dat er iets was achtergebleven. Nu stond hij te wachten op de eerste bus naar huis. Hij veegde de stoel af, voornamelijk omdat hij moe was en wilde zitten. De doek werd donker. Er kwam meer water uit het plastic dan erop had gelegen, eerst helder, daarna grijs, ten slotte met die bruine rand die regen krijgt als hij een heel etmaal door iemand is gedragen. Onder zijn hand verscheen een droog rechthoekje. Het was een weinig indrukwekkend resultaat voor zoveel vocht. De man kneep de doek uit boven de goot. Het water liep tegen de helling op. Bij de bushalte aan de overkant begon een vrouw naar haar mouw te kijken. Die was ineens droog tot aan de elleboog. De man begreep dat hij opnieuw iets had schoongemaakt wat niet op zijn werklijst stond.

Het bleek niet uitsluitend om regenwater te gaan. De stoel verzamelde ook de buien die mensen hadden meegenomen zonder dat er buiten iets uit de lucht viel. Een ontslaggesprek kon wekenlang doorlekken. Een telefoontje waar niet op werd teruggebeld gaf een fijne, hardnekkige motregen. Hij herkende de soorten aan de weerstand van zijn doek, zoals hij in een kantoor het verschil voelde tussen koffie, stof en een poging tot schoonmaken door iemand anders. De nacht zat hier laag in het materiaal. Bij iedere haal werd het doekje zwaarder. Hij dacht aan de emmer op zijn werk, die altijd dezelfde inhoud had ongeacht hoeveel verdiepingen men eraan toevoegde. Ook voor dit onderhoud bestond kennelijk geen uitbreiding van het materiaalbudget. Toen hij de doek nog eens probeerde uit te wringen, viel er een koude druppel uit die onderweg naar de grond de vorm aannam van een hele dinsdag. Hij zette zijn schoen erop. Niet uit angst, eerder uit vakkennis: zulke dingen moest je niet door een openbare ruimte laten verspreiden. Een jonge man met een bezorgtas kwam onder het afdak staan. Zijn ogen zagen eruit alsof ze die nacht om beurten open waren geweest.

De schoonmaker schoof opzij en wees naar het droge vak. De jongen bedankte niet onmiddellijk; hij keek eerst of er misschien glas lag. Dat was een begrijpelijke volgorde. Daarna ging hij zitten. Zijn bezorgtas zette hij op zijn knieën, zodat het droge oppervlak zo weinig mogelijk verloren ging. De oudere man bleef staan met het vochtige doekje in zijn hand. Hij kon de hele halte niet doen. Dat wist hij inmiddels heel zeker, en voor het eerst die ochtend vond hij dat een bruikbare vaststelling. Het doek was vol. Hij vouwde het met de natste kant naar binnen en stopte het terug in zijn zak. Daar trok de verzamelde neerslag langzaam door de voering. Tegen de tijd dat de bus kwam, zou hij zelf tot aan zijn heup nat zijn. De jongen bood de stoel aan, maar de man schudde zijn hoofd; hij was nu eenmaal al aan het staan. Toen de koplampen opdoken, stonden ze tegelijk op en bleef het droge rechthoekje achter. In de grijze ochtendlucht leek het niet op een wonder. Het leek op een plek waar iemand had gezeten zonder er nog natter te worden.

Geef een antwoord

Omhoog ↑

nl_NLNederlands