Op een verlaten terras – een anonieme plek ergens tussen het einde van de zomer en de aankondiging van de winter, waar plastic stoelen zwijgend getuigen van gesprekken die niemand zich herinnert – ligt een aansteker. Niet zomaar een aansteker, maar een bijna lege, doorzichtige, oranje eenling, achteloos achtergelaten op de rand van een door de seizoenen verweerde tafel. Het voorwerp balanceert, letterlijk en figuurlijk, tussen functie en vergetelheid, tussen bruikbaarheid en overbodigheid, tussen het nog net iets kunnen en het uiteindelijk niets meer doen.
De herfst is net begonnen – die vage periode waarin de lucht al ruikt naar afgevallen bladeren, maar de zon zich nog schuldig laat zien – en de wind trekt voorzichtig aan het tafellaken dat niemand meer gladstrijkt. De aansteker, ooit een instrument van vuur en dus van actie, van intentie, ligt nu als een verslagen pion in een verlaten spel dat niemand wil hervatten. Zijn huls is gescheurd, het metalen kapje zwartgeblakerd, en binnenin beweegt nog slechts een flinterdun laagje gas dat op een laatste vonk wacht, een laatste kans om zinvol te zijn.
Er is niemand om dit te zien. Geen roker die zoekt naar zijn gewoonte, geen hand die de aansteker draait en weegt, geen reden meer om nog een vlam te vragen. En toch ligt hij daar, als een object dat zich vastklampt aan zijn eigen definitie, als een klein monument voor alles wat ooit vanzelfsprekend was. Hij is vergeten, ja, maar niet verdwenen – want zelfs vergeten voorwerpen weten dat verdwijnen een langzaam proces is, een vorm van existentiële erosie die begint bij onopgemerkt blijven.
De stoelen rondom de tafel fluisteren in stilte, de lucht ruist met het soort melancholie dat alleen voorwerpen kunnen voelen, en de aansteker ligt daar – zinloos, onopgemerkt, ongewild – en toch klaar. Mocht iemand hem pakken, hij zou het opnieuw doen. Zonder aarzeling, zonder rancune. Gewoon omdat dat is wat hij ooit deed. En misschien, heel misschien, is dat genoeg.


Geef een reactie