Kinderstoel.

Het is maandagochtend – of beter gezegd: een maandagochtendachtig aanvoelende constructie van tijd en ruimte waarin de realiteit haar scherpte verliest – en middenin dit grijze niemandsland van stilte, halfvolle koffiekopjes en verfrommelde to-do lijstjes, staat hij daar: de tweedehands kinderstoel, type ‘kinderen 1-3 jaar’, een werktuig van opvoedkundige hoop, huiselijke wanorde en de taaie restanten van appelmoes.

Niet nieuw, nooit geweest, en toch onuitroeibaar, staat hij als een houten relikwie van kruimelige ochtenden en driftbuien in miniformaat, zijn zitting nog doordrenkt van het residu van ontelbare ontbijtgranen, die ondanks menig schrobbeurt een soort archeologische sedimentlaag zijn gaan vormen. Zijn rugleuning helt op onnatuurlijke wijze achterover, niet uit mechanisch onvermogen, maar omdat hij al te vaak dienst heeft gedaan als lanceerplatform voor peuters die plots besloten dat stilzitten een ideologische gevangenis is.

Zijn veiligheidsgordels – vaal van kleur, licht rafelig aan de randen – vertellen het verhaal van ouders die met één hand hun kind probeerden vast te snoeren terwijl ze met de ander een omvallend bord probeerden te redden. De gesp sluit nog wel, maar alleen met een diepe zucht, alsof zelfs het metaal de moed heeft opgegeven. En ergens, diep in zijn houten kern, lijkt hij zich bewust van zijn status als overlever, als meubel dat zijn identiteit ontleent aan het feit dat hij niet mocht sterven in de kringloopwinkel, maar opnieuw werd uitgekozen voor een volgende ronde.

Momenteel verkeert hij – een term die men normaal gesproken reserveert voor dichters in existentiële crisis – in onderhoud. De schuur waarin hij staat is koud, ruikt naar vergeten gereedschap en naar hoop – of beter gezegd: naar de illusie van hoop, want wie weet of hij het nog aankan, deze stoel die meer levensfase heeft meegemaakt dan de meeste mensen ooit zullen begrijpen? De schroeven worden aangedraaid, de splinters weggeschuurd, een nieuwe lik lak wordt overwogen, terwijl de stoel in stilte wacht, ongeroerd en toch vol innerlijke tumult.

Want wat is het, anders dan een vorm van tragikomische reïncarnatie, dat een voorwerp als dit, belast met de herinneringen van onbekende gezinnen, opnieuw het strijdtoneel betreedt van kindergekrijs, gemorste yoghurt en pedagogische wanhoop? En toch – zoals altijd – is hij er straks weer bij, klaar voor gebruik, niet omdat hij dat wil, maar omdat het nu eenmaal zijn lot is.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder