Op een verlaten terras – een anonieme plek ergens tussen het einde van de zomer en de aankondiging van de winter, waar plastic stoelen zwijgend getuigen van gesprekken die niemand zich herinnert – ligt een aansteker. Niet zomaar een aansteker, maar een bijna lege, doorzichtige, oranje eenling, achteloos achtergelaten op de rand van een door de seizoenen verweerde tafel. Het voorwerp balanceert, letterlijk en figuurlijk, tussen functie en vergetelheid, tussen bruikbaarheid en overbodigheid, tussen het nog net iets kunnen en het uiteindelijk niets meer doen. De herfst is net begonnen – die vage periode waarin de lucht al ruikt naar afgevallen bladeren, maar de zon zich nog schuldig laat zien – en de wind trekt voorzichtig aan het tafellaken dat niemand meer gladstrijkt. De aansteker, ooit een instrument van vuur en dus van actie, van intentie, ligt nu als een verslagen pion in een verlaten spel dat niemand wil hervatten. Zijn huls is gescheurd, het metalen kapje zwartgeblakerd, en binnenin beweegt nog slechts een flinterdun laagje gas dat op een laatste vonk wacht, een laatste kans om zinvol te zijn.
