Verdwalen.

Er zijn veel manieren om te verdwalen. Je kunt verdwalen in een bos, zoals sprookjesfiguren doen. Je kunt verdwalen in gedachten, zoals filosofen dat pretenderen. Maar er bestaat een veel subtielere, veel verraderlijkere manier van verdwalen: verdwalen in taal. In woorden. In zinnen die zich als gangen van een imaginaire kathedraal aaneenrijgen, eindeloos kronkelend, leidend naar niets – of juist naar iets wat te vaag is om opzettelijk te lijken. En in die taal, in dat zinnenlabyrint, vinden we de lezer. Of beter gezegd: de illusie van een lezer, want wat is een lezer nog, als hij zichzelf niet meer begrijpt?

Deze lezer – laten we hem voor het gemak een naam geven, misschien iets knulligs, iets anoniems zoals de lezer – bevindt zich in een staat van permanente onzekerheid. Niet omdat hij dom is. Nee, verre van. Deze lezer is slim genoeg om te weten dat hij niet snapt wat er gebeurt. Hij voelt zich cultureel verplicht om te blijven lezen, om door te zetten, om verbanden te leggen tussen metaforen die lijken te verwijzen naar symbolen die dan weer echoën met concepten die misschien, heel misschien, verwijzen naar iets wat ooit een idee was. En dus leest hij door. Zinnen worden gelezen, omgedraaid, herlezen. Hij aarzelt bij bijwoorden. Hij noteert bijvoeglijke naamwoorden alsof ze aanwijzingen zijn in een verdwijningszaak. Hij zoekt naar structuur in chaos, betekenis in rook, orde in een typografische tornado.

Het profiel van deze lezer is als een psychologische röntgenfoto van existentiële koppigheid. Hij is iemand die gelooft dat alles ergens voor staat, dat geen zin zomaar bestaat, dat elk woord de sleutel is tot een verborgen deur, waarvan het slot verstopt zit in het voetnootapparaat van een verloren postmoderne roman. Hij vertrouwt geen enkele komma. Hij verdenkt elk enjambement van opzet. Hij denkt dat witregels metafysische adempauzes zijn. Dit is geen ontspannen lezer met een kop thee. Dit is een paranoïde tekstdetective met wallen onder de ogen, gewapend met markeerstiften en Google Translate.

Toch is deze lezer niet alleen een slachtoffer. Hij is ook dader. Dader van overinterpretatie, van misplaatste diepgang, van literaire zelfprojectie. Hij leest zichzelf de tekst in. Elk labyrintisch zinsdeel is een spiegelzaal waarin hij zijn eigen reflecties achterna jaagt. Hij is als Narcissus, maar dan met een studieachtergrond in taalwetenschappen. En het ergste is: hij weet het. Hij weet dat hij onderdeel is van een spel waarvan hij de regels niet begrijpt, maar waarin hij desondanks blijft meespelen, omdat toegeven dat hij het niet snapt, zou voelen als intellectuele zelfmoord.

Er zit ook iets tragikomisch in deze figuur. Iets aandoenlijks. Zoals een man in een driedelig pak die probeert te schaatsen op een vijver van metaforen. Hij glijdt uit, maar blijft zijn das rechttrekken. Hij probeert het opnieuw. Zijn analytisch vermogen wordt zijn vangnet, zijn sarcasme zijn kompas. En telkens wanneer hij denkt: Nu begrijp ik het, komt er een zin die alles onderuit haalt. Want natuurlijk. Want zo werkt het. Want dit is geen tekst die gelezen wil worden – dit is een tekst die gelezen moet worden, door iemand die denkt dat begrijpen een plicht is.

Misschien is dat het confronterende. Niet dat de tekst moeilijk is, maar dat de lezer zichzelf wijsmaakt dat hij het moet kunnen ontcijferen. Alsof er een geheime gemeenschap bestaat van mensen die wél snappen wat hier gebeurt. En hij wil erbij horen. Hij wil een stoel aan die tafel. Hij wil kunnen zeggen: “Ach, dat gebruik van de syntactisch verstoorde anafoor is duidelijk een intertekstuele knipoog naar de tweede alinea van Finnegans Wake.” Terwijl hij geen idee heeft wat hij net zei. Maar hij hoopt dat niemand dat merkt.

En dus ploetert hij voort. Als een Sisyphus van de semantiek. Zijn rotsblok is een zin die eindigt in een dubbele betekenis. Zijn berg is een tekst die weigert op te houden. Hij leest verder, hij twijfelt verder, hij herleest, onderstreept, googelt obscure Latijnse termen, raakt gefrustreerd, komt tot een besef, verliest het weer, en begint opnieuw. Niet omdat hij masochistisch is – hoewel dat ook zeker meespeelt – maar omdat hij ergens gelooft dat verdwalen op zichzelf al waardevol is. Dat het dolen, het zoeken, het niet-vinden, misschien de bedoeling is. Een soort spiritueel IKEA-doel zonder handleiding.

Want uiteindelijk, aan het einde van de labyrintische reis, wacht geen minotaurus. Geen centrale waarheid. Geen onthulling. Alleen de spiegel. En in die spiegel kijkt de lezer zichzelf aan – met wallen, met markeerstiften, met een hoopvol maar vermoeid gezicht – en vraagt zich af of het de moeite waard was. En terwijl hij dat denkt, draait hij zich om… en leest de hele boel nog een keer.

Waarom? Omdat dat is wat lezers doen die zich herkennen in dit profiel. Verdwaald, verward, en op de een of andere manier… verdomd trouw.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder