Er is een moment, tussen waken en slapen, waar de wetten van waarschijnlijkheid zichzelf vergeten zijn. Daar, in die kier tussen ‘niet kunnen’ en ‘toch doen’, glijdt een gedachte als een zijdeachtige paling langs de regels. Je wilt iets – iets groots, iets kleiners dan een fluistering – maar de wereld knikt nee met zijn betonhoofd. En precies dan gebeurt het: je knikt terug. Niet als antwoord, maar als afleiding. Je doet alsof.
Alsof de trap naar de maan van rubber is en zich uitstrekt tot onder je voeten zodra je je tenen beweegt. Alsof het gesprek dat nooit begon, je nu fluistert via de poriën van de lucht. Alsof zwaartekracht een vrijblijvende suggestie is en niet een dictator met een valhelm. Je doet alsof, en het ‘niet kunnen’ lost op als suiker in kokend water – het zoete bewijs dat weigering een smaak heeft die je kunt overslaan.
Want als je blijft kijken naar de deur die gesloten blijft, mis je het moment waarop het raam zich omdraait en een trap wordt. Nee, het negeren van onhaalbaarheid is geen vlucht, het is een omhelzing met ogen dicht, een dans met onzichtbare partners op een vloer van gemaskeerde mogelijkheden.
Men zegt: “Je moet realistisch zijn.” Maar realisme is slechts een vermomd plafond. En plafonds bestaan niet echt, ze zijn maar vloeren die zijn vergeten omhoog te vallen. Wanneer je doet alsof iets kan, begint het te geloven in zichzelf. De sprong zonder bodem vangt je op met een knikje. De brug die er niet was, verschijnt onder je voeten als je net doet alsof je hem al passeerde.
Het is geen naïviteit. Het is rebellie. Geen dromen, maar bedrog met een glimlach. Je fluistert tegen het onmogelijke: “Je bent niet echt.” En het antwoordt niet, want je hebt gelijk. Je negeert de grens, en de grens raakt de weg kwijt.
Dus, als iets niet kan, draai je dan om. Doe alsof het wel kan. En kijk niet achterom. Want alles wat je daar ziet, is een afdruk van wat je had kunnen missen als je had geluisterd.


Geef een reactie