Er is een moment, tussen waken en slapen, waar de wetten van waarschijnlijkheid zichzelf vergeten zijn. Daar, in die kier tussen ‘niet kunnen’ en ‘toch doen’, glijdt een gedachte als een zijdeachtige paling langs de regels. Je wilt iets – iets groots, iets kleiners dan een fluistering – maar de wereld knikt nee met zijn betonhoofd. En precies dan gebeurt het: je knikt terug. Niet als antwoord, maar als afleiding. Je doet alsof. Alsof de trap naar de maan van rubber is en zich uitstrekt tot onder je voeten zodra je je tenen beweegt. Alsof het gesprek dat nooit begon, je nu fluistert via de poriën van de lucht. Alsof zwaartekracht een vrijblijvende suggestie is en niet een dictator met een valhelm. Je doet alsof, en het ‘niet kunnen’ lost op als suiker in kokend water – het zoete bewijs dat weigering een smaak heeft die je kunt overslaan.
