Kermis.

Je stapt in de botsauto, zoals iemand die zijn plaats kent in een droom die door geen enkele logica wordt bestuurd, alsof je niet meer verwacht dat de wereld zich naar jou schikt, maar jij je met een milde berusting naar de afbrokkelende resten van het bekende beweegt, gekleed in zwart dat zich niet afzet maar oplost in de schaduw van vergeten dingen, en je gedachten—grijs, stroperig als mist boven een meer waar niemand ooit meer in zwemt—zwermen rond als langzame motten in een kamer waar het licht maar net voldoende is om hen op te merken, maar niet genoeg om ze te verjagen.

En terwijl je neerzakt in het halfvergane stoeltje van een botsauto die door wortels wordt gekraakt alsof de aarde zelf besloten heeft dat dit feest lang genoeg heeft geduurd, knippert het lampje aan de bovenkant met een soort vermoeide ijver—wit, niet helder wit, niet hoopvol wit, maar het wit van een oude TL-buis die haar laatste flikkeringen deelt met niemand in het bijzonder—en je denkt aan hoe het ooit een plek van schreeuwende kinderen was, met hun handen om het stuur geklemd alsof controle iets was dat je kon vastgrijpen in plastic wagens die nergens heengingen, behalve in cirkels.

De bomen hebben zich zonder uitnodiging genesteld, met hun wortels door metaal en hun takken als vingers die iets lang verloren proberen terug te grijpen—de vrijheid van wildgroei tegenover de mechaniek van amusement, en jij, daar middenin, als een anachronisme in een zwart pak, tussen het gebladerte van wat ooit een vloer was en nu lijkt op een uitvergroot boomblad met aders van betonbreuken, alsof de hele kermis een bladzijde is uit een boek dat niet meer gedrukt wordt.

Vogels—je weet niet eens welke, je hebt geen verstand van vogels, maar ze zijn klein, driftig, en doen pogingen om te bouwen wat jij allang niet meer gelooft dat kan bestaan: een thuis, hier, tussen afgedankte machines en het geritsel van bladeren die geen zin meer hebben in herfst—en je vraagt je af, terwijl je handen het stuur vasthouden met een zekere plechtigheid alsof je nog steeds iets bestuurt, of ongeluk een plek is, of een ritme, of gewoon de logica van blijven zitten in een voertuig dat geen richting heeft.

Je voelt niet veel, of misschien net te veel, maar alles is gedempt, bedekt met de grijze stof van te vaak denken zonder iets te beslissen—de kleur van oude herinneringen aan vreugde, zonder dat de vreugde zelf nog een gezicht heeft, alleen maar het gevoel dat je ooit gelachen hebt hier, op exact deze plek, voordat de takken begonnen te groeien, voordat het groen het reclamelicht overnam en de kreten van blijdschap verving door het fluisteren van wind tussen bladeren.

En je blijft zitten, en je drukt je voeten op de pedalen die niks meer doen, en je wacht tot het lampje stopt met knipperen of tot je erin verdwijnt—wat het eerst komt.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder