De Tuin.

Na drie maanden schuif ik het gordijn opzij met een lichte aarzeling, alsof de tuin buiten inmiddels had kunnen verdwijnen in een vormloze duisternis. Het licht valt plots binnen, stof danst in de zon, en achter het glas ontvouwt zich geen zwart gat maar gras, struiken, een tuintafel die onverstoord is blijven staan. Klimop heeft zijn weg gevonden, onkruid groeit tussen de tegels, een bloempot draagt koppig groen. Buiten blijkt niet afhankelijk van mijn blik om te blijven bestaan. Wat ik vreesde als leegte toont zich als continuïteit, stil en onverstoorbaar aanwezig.

Toch Doen.

Er is een moment, tussen waken en slapen, waar de wetten van waarschijnlijkheid zichzelf vergeten zijn. Daar, in die kier tussen ‘niet kunnen’ en ‘toch doen’, glijdt een gedachte als een zijdeachtige paling langs de regels. Je wilt iets – iets groots, iets kleiners dan een fluistering – maar de wereld knikt nee met zijn betonhoofd. En precies dan gebeurt het: je knikt terug. Niet als antwoord, maar als afleiding. Je doet alsof. Alsof de trap naar de maan van rubber is en zich uitstrekt tot onder je voeten zodra je je tenen beweegt. Alsof het gesprek dat nooit begon, je nu fluistert via de poriën van de lucht. Alsof zwaartekracht een vrijblijvende suggestie is en niet een dictator met een valhelm. Je doet alsof, en het ‘niet kunnen’ lost op als suiker in kokend water – het zoete bewijs dat weigering een smaak heeft die je kunt overslaan.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands