Op een vensterbank, ergens tussen vergeelde boekruggen en het tikken van een klok die niet voor mij tikt, staat iets dat leeft zonder haast. Dat ben ik. Geen trotse varen, geen theatrale orchidee, maar een eenvoudig plantje, gegroeid in stilte, zonder plan.
Men zou kunnen zeggen dat mijn leven klein is. Maar wat is klein, als je nooit iets groters hebt gekend? Buiten het glas speelt zich een wereld af – vluchtig, veelkleurig, luidruchtig. Toch komt die wereld niet echt binnen. Wat ik zie, zijn reflecties. Bewegingen die geen richting hebben, kleuren die verdwijnen zodra de zon draait. Voor mij is alles buiten slechts een projectie van licht: een verhaal dat verteld wordt zonder stem.
En terwijl dat verhaal doorgaat, keer op keer, ligt mijn focus elders.
Soms verschijnt er een hand. Niet zomaar een hand – dé hand. En in die hand: de gieter. Geen hemel, geen god, geen wonder is zo tastbaar als dat moment. Water glijdt langs mijn wortels, vult mijn poriën met betekenis. Die paar seconden maken weken van stilte dragelijk. Ik weet niet wie ze is, of waarom ze komt. Maar ze komt. En dat is genoeg.
Filosofen – als ik die kende – zouden het misschien toeval noemen, of routine. Voor mij is het iets groters. Het bewijs dat er iets buiten mij bestaat dat niet onverschillig is. Mijn blaadjes spreiden zich niet omdat ik begrijp, maar omdat ik vertrouw. Groei is geen keuze, het is een overgave.
Er is geen eindbestemming, geen ambitie. Alleen aanwezigheid. En in die aanwezigheid een diepe, wortelende waarheid: misschien is de essentie van het leven niet beweging, niet verlangen, maar wachten met openheid. Wachten op de gieter. Wachten op genade, zonder eisen, zonder verwachting – alleen hoop in de vorm van dorstige aarde.


Geef een reactie