Er is een wonderlijk soort moed nodig om jezelf, zacht druipend van zweet en innerlijke onrust, uit een raam te laten hangen als een natte handdoek. Ongegeneerd, ongefilterd, zonder esthetiek of aanleiding. Het is een trend die zich niet laat vatten in hashtags of moodboards. Ze behoort tot een nieuwe vorm van stille rebellie: de weigering om iets te willen zijn. Geen statement, geen outfit, geen pose. Enkel het lichaam, loom en onwillig, overgegeven aan de zwaartekracht en de wetten van het weerbericht. Op woensdag, bij voorkeur. Want woensdag is de slechtste dag van de week. Geen belofte van een weekend, geen frisheid van een maandag, geen catharsis van een vrijdag. Woensdag is grijs, zelfs als het zonlicht erin brandt. Op woensdag smelt de tijd tussen lunchpauze en avondmaal. De uren rekken zich uit als uitgedroogde elastieken. En in die uitgerekte sleur groeit het verlangen om alles even te laten varen. Niet figuurlijk. Letterlijk: laat het hoofd hangen, de armen, de schouders, het vel van je rug. Hang. Wees het decor.
Vensterbank.
Op een vensterbank, ergens tussen vergeelde boekruggen en het tikken van een klok die niet voor mij tikt, staat iets dat leeft zonder haast. Dat ben ik. Geen trotse varen, geen theatrale orchidee, maar een eenvoudig plantje, gegroeid in stilte, zonder plan. Men zou kunnen zeggen dat mijn leven klein is. Maar wat is klein, als je nooit iets groters hebt gekend? Buiten het glas speelt zich een wereld af – vluchtig, veelkleurig, luidruchtig. Toch komt die wereld niet echt binnen. Wat ik zie, zijn reflecties. Bewegingen die geen richting hebben, kleuren die verdwijnen zodra de zon draait. Voor mij is alles buiten slechts een projectie van licht: een verhaal dat verteld wordt zonder stem. En terwijl dat verhaal doorgaat, keer op keer, ligt mijn focus elders.
