Er zijn van die keuzes die zo klein lijken dat niemand ze ooit hardop bespreekt, alsof ze vanzelf ontstaan in de marge van het dagelijks bestaan. Toch schuilt er in het onderscheid tussen de duim en de wijsvinger – specifiek wanneer je langs de plinten van de stoep veegt tijdens een lange wandeling door een straat die op het eerste gezicht onverschillig lijkt – een bijna tragische economische logica. Het is een logica die je alleen begrijpt wanneer je, tegen beter weten in, probeert te berekenen hoeveel aanraking een mens kan verdragen voordat iets breekt of juist heelt.
De duim is een luxepositie. Hij is breed, compact, ontworpen om te duwen, te klemmen, te claimen. Een duim is een gebaar van bezit. Wanneer je hem langs de plint laat glijden, voelt het alsof je de straat toe-eigent, alsof je zegt dat jij hier hoort, dat de stenen jouw beweging ondersteunen. Maar precies daarin schuilt het probleem dat je liever niet benoemt. De duim vraagt energie, vraagt emotionele kapitaalreserves die je misschien niet meer hebt. Hij drukt te zwaar, te zeker van zichzelf, alsof je de façade van controle nog langer kunt dragen. Op langere afstanden gaat dat wreken. Je voelt het eerst in de aanzet van je pols en later in een soort zucht in je borst – een teken dat je meer geeft dan je terugkrijgt.
De wijsvinger daarentegen is een bescheiden onderhandeling. Hij is licht, gericht, haast aarzelend. Hij glijdt langs de rand zonder te eisen, zonder te drukken, zonder te verklaren dat dit stuk stad van jou is. Hij stelt slechts een vraag. Hij vraagt of hij even mee mag, of hij de stofdeeltjes, minuscule breuklijnen en afbladderende verflagen mag volgen, alsof hij wil begrijpen hoe deze straat tot stand kwam. En dat is precies het economisch voordeel van de wijsvinger – hij investeert zonder meteen rendement te eisen. Hij laat ruimte over voor verlies, voor twijfel, zonder dat het systeem instort.
Bovendien is er iets troostends aan de manier waarop de wijsvinger beweegt. Hij vormt een dun kanaal tussen jou en de stoep, een soort stille overeenkomst dat je nog steeds contact kunt maken zonder jezelf volledig te hoeven geven. Terwijl je loopt en veegt, ontstaat er een ritme dat je helpt ademen. Een duim kan dat niet. Die vraagt commitment. Een wijsvinger biedt ontsnapping. Hij is efficiënter in energieverbruik, duurzamer in emotionele kost en subtieler in de manier waarop hij je door een lange straat heen leidt die misschien meer herinneringen draagt dan je bereid bent toe te geven.
Het blijft natuurlijk vreemd om te beweren dat het beter is om met je wijsvinger te vegen, alsof je daarmee een groot probleem oplost dat niemand ooit benoemd heeft. Maar in tijden van schaarste – schaarste aan rust, schaarste aan richting, schaarste aan innerlijke ruimte – wordt elke efficiëntie waardevol. En terwijl je langzaam verder loopt, de wijsvinger licht trillend tegen het krijtige oppervlak van de plint, voel je dat het werkt. Je houdt vol. Je verliest niet meer dan je moet. Je beweegt, al is het aarzelend, door een wereld die steeds zwaarder lijkt te worden.
Misschien is dat genoeg. Misschien is dat alles.


Geef een reactie