Dingen.

Er liggen dingen op het zebrapad die niet hadden moeten blijven liggen. Een plastic kam met drie gebroken tanden, een verkreukelde kassabon waarvan de inkt is vervaagd tot een spook van cijfers, een handschoen zonder partner, een sleutel zonder slot. Ze liggen daar niet toevallig – maar ook niet met bedoeling. Het zijn resten van handelingen die ooit betekenis hadden en die nu zijn blijven steken tussen twee stoepen. Dingen die niet meer weten vanwaar ze kwamen, laat staan waarheen ze moeten.

De wind schuift ze soms een paar centimeter op, alsof hij hen een richting wil geven, maar ook de wind heeft geen plan. De kam krast even tegen het asfalt, de kassabon wappert als een nerveuze vlinder, en dan komt er een moment van totale stilstand. De zon brandt een witte streep op het midden van de weg. Niemand steekt over. De wereld houdt even haar adem in voor deze troep die geen verhaal meer vormt.

Ze liggen in de weg, letterlijk en figuurlijk. Een auto die nadert vertraagt even, niet uit angst om ze te raken, maar omdat hun aanwezigheid een onverklaarbare schroom oproept. Alsof de bestuurder plots beseft dat elke route, hoe recht ook, bezaaid is met dingen die de richting kwijt zijn. De voorwerpen vormen samen geen geheel, geen systeem, geen logica. Hun onderlinge afstand is niet toevallig, maar evenmin gekozen. Ze liggen verspreid zoals gedachten die niet meer in een zin passen.

Wie kijkt, ziet een allegorie van vergetelheid. Niet de poëzie van verloren voorwerpen – die is te romantisch – maar de leegte van dingen die niet meer terug kunnen naar hun oorsprong en te vermoeid zijn om nog verder te rollen. Ze wachten op een voet, een band, een bezem. Toch zou oprapen zinloos zijn. De kam zal nooit meer haar ontwarren, de handschoen nooit meer huid aanraken. Ze hebben hun functie verloren zoals men soms zijn overtuiging verliest: stil, bijna ongemerkt, tot men plots merkt dat er niets meer beweegt.

De cohesie tussen hen is zo minimaal dat zelfs een mier die de kassabon onderzoekt geen patroon vindt. Ze delen enkel het lot van verlatenheid. Als de zon verschuift en de schaduwen langer worden, lijkt het even alsof ze elkaar naderen – maar dat is slechts optisch bedrog. In werkelijkheid drijven ze uit elkaar, ieder zijn eigen onbeduidende richting op, zoals wrakhout in een te kalme zee.

Aan de overkant wacht het trottoir, ongeduldig. Daar loopt het leven verder, haastig, doelgericht, met plastic tassen vol dingen die nog nut hebben. Maar hier, midden op de witte strepen, is er een kleine anarchie van zinloosheid ontstaan. De tijd vertraagt, de betekenis vervluchtigt, en zelfs de zebralijnen lijken hun orde te verliezen.

Ik wacht tot het licht groen wordt, steek dan over met iets te veel zorg, alsof ik door een begraafplaats van intenties loop. De kassabon beweegt nog even in de tocht van mijn pas. Misschien groet hij. Misschien probeert hij zich te herinneren dat hij ooit bewijs was van iets dat bestaan heeft. Aan de overkant kijk ik niet om. De dingen blijven liggen – zonder oorsprong, zonder richting, zonder elkaar.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder