Het is alsof dat gele plastic vogeltje, onbeweeglijk zittend op de vensterbank, een vreemde echo werpt van iets wat ooit levendig en vol verlangen was; een klein, kunstmatig wezen zonder ademhaling of kloppend hart, dat desondanks getuigt van een soort bestaan, een symboliek van het elementaire maar valse idee van vlucht, vrijheid en verlangen. De vervlogen gedachte aan een onbereikbare liefde zweeft ergens in een hoek van het bewustzijn, als een halfvergane herinnering die zich af en toe verplaatst, lichtjes aanraakbaar maar in wezen ongrijpbaar, zoals die onbereikbare personen die sporen achterlaten zonder ooit werkelijk nabij te zijn. Scheikundig bekeken hebben het gele plastic vogeltje en de gedachte aan deze liefde niets gemeen; polymeerketens versus neurale signalen, puur kunstmatige stabiliteit tegenover elektrische impulsen en vluchtige emoties die, hoe dan ook, als moleculair proces nergens in het lichaam blijven plakken.
Nachtkastje.
In de poëtische mathematische velden waar semantiek en temporale structuren een dialectische dans aangaan met de nomenclatuur van alledaagse objecten, doet zich een merkwaardig vraagstuk voor: waarom wordt een nachtkastje 's nachts als zodanig aangeduid, terwijl het in de daglichturen niet met equivalent respect als een "dagkastje" wordt erkend?
