Binnenrand.

Ze wilde alleen de buitenkant afnemen. De band stond op tafel, gemaakt van een strook dik papier waarvan de uiteinden na een halve draai aan elkaar waren geplakt. Er lag stof op, zoals op alles wat lang genoeg een vorm volhield. De vrouw zette een vochtige doek tegen het oppervlak en begon te vegen. Eerst aan de kant die naar haar toe gericht was, daarna langs de bocht, vervolgens schijnbaar aan de achterkant, tot ze zonder de rand te passeren terugkwam waar haar hand begonnen was. Het papier had haar ondertussen aan de andere kant van haar eigen voornemen gebracht. Ze keek door de lus naar de tafel. Het tafelblad leek nu buiten de kamer te liggen. Dat was hinderlijk, want daarop stonden haar sleutels. Een Möbiusband had volgens de vertrouwde beschrijving één zijde en één rand. Daar was op papier weinig tegen in te brengen. Maar zodra je die eigenschap huishoudelijk toepaste, bleek het onderscheid tussen de kant waarvoor je verantwoordelijk was en de kant die een ander maar moest schoonmaken betrekkelijk slecht vast te zitten.

De lus werd groter naarmate ze verder veegde. Niet dikker of zwaarder, alleen begaanbaarder. Tussen haar duim en de bocht ontstond een pad waarlangs een stoel kon staan; even verder verscheen het raam, nu liggend op een vlak dat toch niet horizontaal wilde heten. Ze liep de stofdoek achterna. Wat zij binnen noemde werd onderweg buiten zonder dat er een deur was geweest. De regen op het raam lag even later onder haar voeten, maar bleef achter glas. Haar jas hing aan een haak die ze normaal alleen vanuit de gang kon zien. Niemand had iets verplaatst. De samenhang van de ruimte was veranderd, alsof het huis eindelijk toegaf dat al zijn kamers uit dezelfde dunne afspraak bestonden. Er was nog wel een rand. Die liep als een ononderbroken kustlijn langs de hele situatie, maar bood geen eenvoudige ontsnapping van de ene zijde naar de andere, omdat die zijden niet afzonderlijk bestonden. De vrouw begreep nu waarom bepaalde gesprekken altijd terugkeerden op een plek die men zorgvuldig had vermeden. Je kon lang genoeg om een onderwerp heen lopen om midden in jezelf terecht te komen, zonder ooit een grens te hebben overtreden.

Bij de naad hield ze halt. Er zat een klein randje lijm, slecht gladgestreken toen de band was gemaakt. Dat was het enige punt waar de wereld toegaf in elkaar te zijn gezet. De vrouw streek er niet overheen; ze legde haar doek neer. Het ding had aan beide kanten vocht opgenomen, voor zover die uitdrukking nog bruikbaar was. In het midden bleef een droge vouw zitten. Ze trok het papier voorzichtig los bij de naad. De halve draai ontspande, de band werd weer een strook en de kamer kreeg haar gebruikelijke binnenkant terug. Het raam stond overeind. De sleutels lagen bereikbaar op tafel. Toch zag de strook er minder vanzelfsprekend uit dan tevoren. Wat zojuist één samenhangend oppervlak was geweest, bezat nu twee zijden en een rand die weer een rechthoek omsloot, allemaal veroorzaakt door een handeling die weinig moeite had gekost. Ze draaide het papier om en zag een plek stof die ze had gemist. Daar moest ze om lachen, kort en zonder toeschouwer. Zelfs in een wereld waarin binnen en buiten samenvielen, was het haar kennelijk gelukt ergens niet bij te kunnen. Ze vouwde de strook op en legde hem onder de wiebelende tafelpoot. Daar hielp hij meteen.

Leave a Reply

Proudly powered by WordPress

Up ↑

en_USEnglish