Ze wilde alleen de buitenkant schoonmaken. Maar de papieren band had een halve draai, één zijde en één rand. Haar doek kwam zonder oversteken aan de binnenkant terecht. De lus groeide. Even later lagen haar sleutels buiten de kamer, hoewel ze nog gewoon op tafel lagen. Ze liep de doek achterna en vond haar eigen gang aan de verkeerde kant van het raam. Bij de lijmnaad stopte ze. Ze trok het papier los. De kamer kreeg weer een binnenkant en de sleutels werden bereikbaar. Op de strook zat nog stof. Zelfs in een wereld met maar één zijde had ze blijkbaar een kant overgeslagen. Ze vouwde het papier op en schoof het onder de wiebelende tafelpoot. Daar hielp het meteen.
