Het trapje had de skyline gezien door het keukenraam en beschouwde sindsdien twee treden als een voorlopig stadium. Het stond gewoonlijk tussen de koelkast en de muur, waar het uitzicht voornamelijk bestond uit een verdwaalde elastiek en de achterkant van dingen. Dat deed zijn verwachtingen geen goed. Zodra iemand het uitklapte, verlengde het daarom in gedachten zijn poten. De eerste keer merkte de vrouw er weinig van. Ze pakte een schaal uit het bovenste kastje en moest bij het afstappen iets langer zoeken naar de vloer. De tweede keer keek ze vanaf de bovenste trede ineens over het dak van het huis aan de overkant. Buiten was het net opgehouden met regenen. De stad lag open, glanzend en veel groter dan de taak waarvoor ze omhoog was gegaan. Het trapje kraakte tevreden. De vrouw hield de schaal tegen haar buik en wachtte tot de keuken weer op een redelijke afstand kwam. Ze was moe, had een trui over haar dunne jurk aangetrokken en wilde soep opwarmen. Voor een uitzicht waarvoor je duizelig moest worden bestond op dat moment weinig belangstelling.
Dat vond het trapje moeilijk te begrijpen. Vanuit zijn positie was hoogte de enige duidelijke maat voor vooruitgang. Een extra trede betekende meer bereik, meer aanzien, mogelijk zelfs een rol in een belangrijke foto. Het begon zich daarom op ongelegen momenten te verheffen. Tijdens het ramenlappen groeide het tot boven de dakgoot. Bij het vervangen van een lamp bracht het de fitting buiten handbereik doordat ook het plafond uit beleefdheid meeging. Het huis raakte geleidelijk ontregeld door een hulpmiddel dat geen hulp meer wilde zijn. De vrouw zette het ten slotte op het balkon, tussen een lege bloempot en de wasmand. Daar mocht het nadenken zonder dat zij telkens mee omhoog hoefde. De wind trok door zijn scharnieren. Vanuit de straat zag het er niet indrukwekkend uit. Het was een klein aluminium trapje met een vlek muurverf op de bovenste trede, en de wolken schonken er dezelfde hoeveelheid aandacht aan als aan iedere andere lage constructie. Op een avond begon het weer te regenen. Het trapje zag zijn weerspiegeling in een plas op het balkon en ontdekte tot zijn ergernis dat het daar dieper was dan hoog. Er viel nergens een verdienste aan vast te maken.
De vrouw kwam met een nat laken naar buiten. Het droogrek binnen was te klein en de lijn onder het afdak hing te hoog om er zonder hulpmiddel bij te kunnen. Ze klapte het trapje open. Het zette zich schrap voor zijn volgende stijging, maar haar hand bleef even op de bovenste trede liggen. Daarna stapte ze erop, hing het laken op en rekte haar arm uit naar de laatste knijper. Het trapje bleef precies even hoog. Niet uit inzicht; een scharnier was door het regenwater stroef geworden. Toch bleek die stilstand iets mogelijk te maken wat bij alle eerdere verheffingen was mislukt. De vrouw kon beide handen gebruiken. Het laken ving een zachte wind en trok zich bol tot een witte ruimte tussen haar en de donkere stad. Voor een ogenblik zag het trapje niets dan licht dat door nat katoen viel. Zij stapte af, veegde met haar duim de verfvlek aan en liet het onder het afdak staan. Het hoefde niet terug achter de koelkast. Later die avond zag het trapje de verlichte ramen van de hoogste gebouwen door het laken heen. Ze waren vaag en mooi, maar er hing hier iets te drogen.


Geef een antwoord