Veterplicht.

De veter ging los op een plek waar niets geschikt was om een voet op te zetten. Dat was geen toeval. Losse veters verkozen traditioneel de stukken stad waar iedere verhoging óf vuil óf eigendom was. De man liep al sinds de vroege ochtend rond met een stapel sleutels waarvan de meeste deuren hem niet toebehoorden. Hij deed onderhoud in gebouwen waar zijn naam alleen voorkwam wanneer iets niet werkte. Nu zette hij zijn schoen op de onderste rand van een dichtgetimmerd raam en boog voorover. In het glas van het pand ernaast zag hij dat de gevel iets naar hem toe kwam. Hij dacht eerst aan duizeligheid. Zijn knieën bevestigden graag dat lichamelijke vergissingen mogelijk waren. Maar toen hij de twee uiteinden van de veter kruiste, ging het gebouw weer rechtop staan. Hij hield stil. Aan de overkant hing een regenpijp scheef, wachtend op wat er met de lus zou gebeuren. De stad bleek haar verticale toestand die middag aan zijn rechterschoen te hebben toevertrouwd. Het was precies het soort aanvullende taak dat niemand vooraf in een werkoverleg zou hebben genoemd.

Hij maakte de eerste knoop voorzichtig. Boven hem schoven enkele verdiepingen met een zachte zucht terug op elkaar. Er kwam stof uit een kozijn dat al jaren uitsluitend vocht had afgegeven. De man had weinig verstand van constructieberekeningen, maar genoeg ervaring met tijdelijke oplossingen om te weten dat iets wat werkte nog niet noodzakelijk veilig was. Zijn veter was dun op de plaats waar hij steeds door het bovenste oogje trok. Hij had hem vorige week al willen vervangen. Nu werd dat ineens een stedenbouwkundig voornemen. Hij maakte een lus, merkte dat een rij balkons naar links zakte en corrigeerde met zijn duim. De zwaartekracht gedroeg zich als een slecht afgestelde deurdranger: er zat te veel spanning op en de verantwoordelijkheid kwam bij de dichtstbijzijnde monteur terecht. Achter hem liepen mensen door. Een vrouw met een boodschappentrolley moest even om zijn uitstekende elleboog heen. Ze zei niets, maar keek naar zijn schoen en vervolgens naar zijn handen. Hij stond al te lang in dezelfde gebogen houding. De regen liep langs zijn rug zijn broekband in. Er was geen manier om tegelijkertijd een stad overeind te houden en daar iets tegen te doen.

De vrouw parkeerde haar trolley naast hem en hield de bovenste lus vast. Ze had niet gevraagd wat er aan de hand was. Misschien had ze de gevels zien bewegen; misschien zag ze alleen iemand die niet goed meer overeind kwam. Haar vingers waren stevig, met korte nagels en een pleister om één knokkel. Nu de veter niet meer weggleed, kon hij de tweede lus erdoor halen. De knoop trok aan. Over de hele straat klonk het droge tikken van voorwerpen die hun gewone gewicht terugkregen. Een fiets viel om, omdat hij blijkbaar alleen door de tijdelijke scheefstand was blijven staan. De man keek ernaar en besloot dat er grenzen waren. Hij zette zijn voet op de grond. Het kostte enige tijd om zijn rug te overtuigen hetzelfde te doen. De vrouw trok haar trolley achter zich aan; één wiel tikte bij elke omwenteling. Hij bedankte haar toen ze al een paar passen verder was. Ze stak een hand op. Die avond zou hij de veter thuis vervangen, had hij zich voorgenomen. Maar eerst moest hij het laatste gebouw nog afsluiten. Hij liep behoedzaam verder, met een dubbele knoop waar de stad niets van hoefde te weten.

Geef een antwoord

Omhoog ↑

nl_NLNederlands