Drempelrecht.

De vrouw zette haar schoen tussen de deur omdat de man achter haar twee boodschappentassen droeg. Verder was er geen aanleiding voor een verandering in de gemeentelijke bouwkunde. Het regende tegen de achterkant van haar nek, op het stuk huid dat haar kraag en haar haar onderling niet hadden willen verdelen. Binnen rook het portiek naar dweilwater. De man was nog bij de stoeprand; een kartonnen verpakking in zijn linker tas had zich al gedeeltelijk met de avond verenigd. Ze had de deur ook gewoon kunnen laten vallen. Het slot werkte, iedereen had een sleutel, en in beginsel bestond er dus geen probleem. Toch bleef haar voet staan. Op dat moment hield de regen in de opening op met vallen. De druppels bleven hangen waar normaal de deur zou zitten, niet glinsterend of bijzonder mooi, maar als vuil water dat nog een beslissing moest nemen. Achter haar schoen werd de gang enkele centimeters langer. Ze keek naar haar veter. Die was los. Het leek haar onverstandig om nu ook nog te bukken, alsof je tijdens het vasthouden van een landgrens je sok ging rechttrekken.

Drempels hadden zich tot die avond tamelijk betrouwbaar gedragen. Je kon eroverheen en je kon erover struikelen; beide mogelijkheden werden zonder aanzien des persoons aangeboden. Maar door het wachten van de vrouw ontstond er een derde toestand. De man was nog buiten en toch al een beetje binnengelaten. Het gebouw bleek moeite te hebben met die onnauwkeurigheid. De intercom zoemde zonder dat iemand had aangebeld, een verdieping hoger schoof een deurmat uit zichzelf een handbreed op, en verderop in de straat ging bij een gesloten winkel het licht weer even aan. De stad berekende doorgaans mensen aan de hand van hun aankomst. Wie ergens nog niet was, telde daar niet mee. Nu werd één bewoner al ontvangen terwijl zijn natte schouders zich nog onder de hemel bevonden. Om die afwijking op te vangen moest er ruimte bijkomen. De vrouw voelde het door haar zool: ergens diep onder het beton werd haastig een klein stukje binnen gemaakt. Ze vroeg zich af of dat later op de servicekosten zou verschijnen. De man probeerde sneller te lopen, wat met de slechte tas juist langzamer ging. Ze schudde haar hoofd, nauwelijks zichtbaar. Hij mocht de afstand afleggen met de knieën die hij had.

Toen hij eindelijk naast haar stond, scheurde de bodem. Er vielen twee uien op de mat en een pak melk op zijn kant. De vrouw haalde haar voet niet weg. Er moest nu kennelijk ook nog iets worden opgeraapt. De straat achter hen werd stil, niet omdat de auto’s verdwenen, maar omdat hun geluid nog geen toestemming had gekregen om mee naar binnen te gaan. De man zei dat het altijd hetzelfde was. Hij bedoelde waarschijnlijk de tassen. De vrouw knikte, alsof zij daarvan een volledig dossier bezat. Samen verzamelden ze de boodschappen. Pas toen de laatste ui binnen lag, trok ze haar schoen terug. De deur sloot; de opgeschorte regen viel in één smalle klap op de stoep. Alles had weer zijn gebruikelijke afmetingen. Niemand zou morgen geloven dat het portiek even groter was geweest dan het pand. De man liep naar de trap en de vrouw naar de lift. Haar natte sok plakte aan haar hiel. Toen het liftlicht aanging, bukte ze om haar veter vast te maken. Daarvoor had ze nu beide handen vrij.

Geef een antwoord

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder