Ze hield de deur met haar schoen open voor een man met twee boodschappentassen. Meteen bleef de regen in de opening hangen. De gang werd langer. Hij was nog buiten, maar werd blijkbaar al ontvangen; het gebouw moest daar ruimte voor maken. De man probeerde sneller te lopen. Ze schudde haar hoofd. Hij mocht de knieën gebruiken die hij had. Bij de drempel scheurde een tas. Twee uien rolden over de mat. Haar voet bleef staan terwijl ze samen de boodschappen opraapten. Pas na de laatste ui liet ze de deur los. De regen viel in één klap neer en het portiek kreeg zijn gewone afmetingen terug. In de lift bukte ze om haar losse veter te strikken. Daar had ze nu beide handen voor.
