Restmens.

Bij de eerste telling stonden er elf stoelen en kwamen er tien mensen. Dat was nog een gewone vergissing. Bij de tweede telling stonden er tien stoelen en kwamen er negen mensen, hoewel niemand de kamer had verlaten en er ook geen stoel was weggehaald. De aanwezigen besloten de deur te sluiten. Dat hielp tegen de tocht maar niet tegen het overschot. Er bleef steeds één plaats over, en de groep werd bij iedere poging zichzelf nauwkeurig vast te stellen iets kleiner. Niemand verdween zichtbaar. Men merkte alleen dat een voornaam minder goed bij een gezicht paste, dat een jas aan de kapstok plotseling van niemand leek te zijn, dat een kopje op tafel koud werd zonder ooit te zijn ingeschonken. De vrouw die de bijeenkomst leidde schoof de lege stoel tegen de muur. Onmiddellijk stond hij weer in de kring, terwijl haar eigen stoel de muur raakte. De rest liet zich niet buiten de berekening plaatsen. Hij was blijkbaar geen gevolg van de verdeling, maar een voorwaarde waaronder er überhaupt verdeeld kon worden. Dat maakte de agenda onbruikbaar. Men was gekomen om praktische zaken te bespreken en moest nu eerst vaststellen hoeveel mensen daarvan mochten overblijven.

Bij een gewone deling kon je een rest opnieuw verdelen, mits je bereid was kleinere stukken te accepteren. Maar hier had men te maken met volledige personen die redelijkerwijs aanspraak maakten op hun beide ellebogen. De voorzitter stelde daarom voor niet de mensen maar de ruimte te delen. Iedereen schoof een stukje op. Er ontstond tussen elke twee stoelen een smalle opening, totdat de lege stoel uiteenviel in een reeks kleine afwezigheden. Dat leek aanvankelijk een vooruitgang. Vervolgens begonnen de gesprekken in die openingen te verdwijnen. Een vraag bereikte de buurman zonder het werkwoord; een herinnering verloor onderweg de persoon over wie ze ging. De kring bezat nu voldoende capaciteit, maar te weinig samenhang. De vrouw zag dat de rest niet verdwenen was. Hij was alleen over iedereen uitgesmeerd. In de denkbeeldige rekenkunde van deze kamer luidde de regel kennelijk: verdeel de aanwezigheid eerlijk en bewaar de onverdeelde mogelijkheid apart. Dat laatste werd niet gevraagd uit zuinigheid. Zonder een ongebruikte plaats was iedere komst automatisch een verstoring. Een volledig sluitende verdeling had geen manier om iemand te ontvangen die nog niet in het oorspronkelijke aantal voorkwam.

Ze zette de stoelen weer naast elkaar en liet één exemplaar leeg. Daarna werd niet opnieuw geteld. Dat bleek verrassend lastig. De aanwezigen bleven naar de vrije zitting kijken alsof er een bedrag lag dat niemand wilde innen. De lege plek had echter geen honger, vroeg geen spreektijd en hoefde niet naar het toilet. Zij deed uitsluitend wat alle andere plaatsen onmogelijk was geworden: beschikbaar zijn zonder voorlopig ergens voor te dienen. Na een tijdje begon iemand over een kapotte lamp in het trappenhuis. Een ander wist waar de reservesleutel lag. De bijeenkomst kreeg langzaam een bruikbare grootte, hoewel niemand nog precies kon zeggen welke. Tegen het einde werd er op de deur geklopt. Er kwam geen laatkomer binnen; er werd alleen een verkeerd bezorgd pakket afgegeven. De vrouw legde het op de lege stoel. Voor het eerst die avond stond er niets ongebruikt. Toch was de rest niet opgeheven. Hij had eenvoudig even een pakje aangenomen. Toen de vergadering afgelopen was, bleef de stoel staan. Men schoof hem niet aan, omdat er geen tafel was waaraan hij iets moest bewijzen.

Geef een antwoord

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder