De tweede elleboog zat op een plaats waarvoor zijn overhemd geen mening had. Halverwege de linkeronderarm, waar tot voor kort één rechte afspraak had bestaan, ontstond een gewricht dat graag naar binnen wilde. De man merkte het tijdens het roeren in de koffie. Zijn hand maakte de gebruikelijke cirkel, de nieuwe elleboog maakte een kleinere tegenbeweging en de lepel bleef vrijwel op dezelfde plaats. Hij moest de suiker uiteindelijk door de kop heen en weer te schuiven tot medewerking brengen. Het extra gewricht zag er niet ontstoken of spectaculair uit. Het had een gewone plooi, wat lichtere huid en een ernst die vooral bij nieuwe onderdelen voorkwam. Aan de ontbijttafel probeerde hij uit waarvoor het bedoeld kon zijn. Hij kon nu zijn eigen mouw van binnen aanraken, maar dat bleek geen behoefte die eerder merkbaar was blijven liggen. Een pot openen ging slechter. Zijn lichaam had kennelijk een oplossing ontwikkeld zonder eerst naar de beschikbare problemen te informeren.
Op kantoor werd de mutatie onmiddellijk tot talent verklaard. Iemand vroeg of hij nu gemakkelijker achter een kast kon komen. Een ander zag mogelijkheden bij het bespelen van instrumenten die hij niet bezat. De personeelsmedewerker wilde weten of het gewricht op zijn functieomschrijving invloed had. Hij zei dat vooral zijn boterham dubbelklapte. Dat werd niet genoteerd. Men zag liever vooruitgang wanneer er iets bijkwam, zeker als een collega de proefpersoon was. De tweede elleboog had zelf geen belangstelling voor prestaties. Hij boog op onverwachte momenten, bijvoorbeeld wanneer de man een hand wilde geven of zijn jas van een kapstok haalde. Steeds verscheen er een extra beleefdheid in de arm: een kleine buiging voordat het eigenlijke gebaar begon. Mensen namen aan dat hij aarzelde en trokken hun hand terug, waardoor zijn hand alsnog niets bereikte. Tegen de middag bond hij een opgerold tijdschrift langs zijn onderarm. Het gewricht werd daarmee tijdelijk teruggebracht tot een uitgave waar niemand doorheen hoefde te bladeren. Hij kon weer koffie drinken, al moest hij nu naar het nieuws kijken wanneer hij zijn horloge wilde zien.
Thuis maakte zijn buurvrouw de mouw los bij de naad. Ze kon goed naaien en had weinig behoefte aan een verklaring voor een lichaamsdeel dat al voor haar op tafel lag. Er moest ruimte in de stof, zei ze. Niet omdat de arm beter was geworden, maar omdat hij er nu eenmaal was. Ze zette een driehoekje katoen tussen de delen van de mouw en vroeg hem te bewegen. De tweede elleboog knikte. Voor het eerst die dag ging er niets kapot en werd er geen mogelijkheid voor de toekomst genoemd. Hij betaalde haar met het repareren van een klemmend kastdeurtje. Daarvoor bleek de extra bocht niet noodzakelijk. Het lukte op de gewone manier, langzaam en met het verkeerde gereedschap. Later hing hij het overhemd aan een stoel. De mouw maakte een vreemde hoek, alsof er iemand in zat die nog iets wilde vragen. Hij trok het tijdschrift van zijn arm en legde het op tafel. Morgen zou hij weer moeten uitzoeken hoe hij brood naar zijn mond kreeg. De evolutie, voor zover die voor deze onmogelijke middag aansprakelijk kon worden gesteld, had geen handleiding meegestuurd. Zijn buurvrouw gelukkig wel een stukje extra stof.


Geef een antwoord