Na drie maanden schuif ik het gordijn opzij met een lichte aarzeling, alsof de tuin buiten inmiddels had kunnen verdwijnen in een vormloze duisternis. Het licht valt plots binnen, stof danst in de zon, en achter het glas ontvouwt zich geen zwart gat maar gras, struiken, een tuintafel die onverstoord is blijven staan. Klimop heeft zijn weg gevonden, onkruid groeit tussen de tegels, een bloempot draagt koppig groen. Buiten blijkt niet afhankelijk van mijn blik om te blijven bestaan. Wat ik vreesde als leegte toont zich als continuïteit, stil en onverstoorbaar aanwezig.
