Vissenkom.

Een oude man zit in zijn leren fauteuil, gehuld in een donkere jas die de kou slechts half uit zijn botten houdt. Zijn blik rust op een vissenkom die wankel staat op een houten krukje, het water daarin stil, slechts af en toe verstoord door de traagheid van een goudvis die zich beweegt alsof ook hij weet dat alles hier vertraagd is. Naast de man staat een schemerlamp, onnatuurlijk opgericht op het besneeuwde grasveld, zijn licht zwak, bijna rebels tegen de alomtegenwoordige winterwitheid. De wereld om hem heen is bedekt met een deken van sneeuw – zacht, stil, dwingend. Bomen staan als witbeslagen standbeelden, hun takken zwaar van bevroren verleden. In de verte tekent een hoogspanningsmast zich af tegen de grijze lucht – een metalen herinnering aan beweging, aan verbinding, aan iets buiten dit toneel. De hele scène voelt als een schilderij dat per ongeluk uit de lijst is gevallen en op het verkeerde doek terechtkwam. Hier is binnen buiten geworden. Comfort is in conflict met natuur. De leren stoel hoort niet in de sneeuw, net zo min als de vissenkom. Het dier in het glas leeft in zijn eigen afgesloten wereld, gevangen in een bol die op zichzelf al absurd is, maar hier – op een krukje in een bevroren weiland – wordt het bijna grotesk. Toch kijkt de oude man. Hij kijkt alsof dat kijken op zichzelf iets betekent. Alsof er in het drijven van dat visje een antwoord ligt dat nergens anders meer te vinden is. Maar dat is het niet.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands