Momenten.

De werkelijkheid, die zich aan onze zintuigen presenteert als een coherente opeenvolging van momenten, gebeurtenissen, lichamen en betekenissen, laat zich bij nader inzien misschien eerder begrijpen als een Möbiusband — een eindeloze lus waarin binnen en buiten, voor en achter, subject en object zich in een dans van wederzijdse illusies wikkelen; alsof de materie van het bestaan zelf geen vast referentiepunt heeft, maar zich voortdurend om zichzelf heen vouwt in een eindeloze paradox van zelfbevestiging en zelfontkenning, zoals een slapende god zichzelf uitademt in droomstof, zonder te ontwaken.

De vrouw, gehuld in een wazige stilte van melancholische overgave, drukt een cactus tegen haar borst — en men vraagt zich af of de pijn die zij ervaart haar werkelijk toebehoort, of dat zij slechts de projectie is van een groter, trager stromend lijden dat zich aan de randen van het bewustzijn ophoudt, als een muffe geur in een vergeten kamer van de geest. Haar schaduw, uitgestrekt, wankelend in het schemerlicht, lijkt niet slechts een gevolg van lichtval, maar veeleer een afdruk van iets diepers — een kosmisch residu, een spookachtig document van een innerlijk universum dat zich heeft losgezongen van lineaire tijd. In die schaduw, die een glijdende inktvlek is op de grond van zijn, verscholen in de stilte tussen twee ademhalingen, lijkt alles besloten: de geschiedenis van verlies, de anatomie van verlangen, de echo van een naam die nooit werd uitgesproken maar desondanks zwaar op de tong ligt.

En wat is de ruimte buiten deze schaduw, anders dan een toevallige manifestatie van een gedachte die zichzelf even meende te begrijpen? Zijn wij, dolende reizigers door het labyrint van waarneming, niet voortdurend op zoek naar een uitgang die zich net achter onze schouder lijkt te bevinden, terwijl wij ons blindelings voortbewegen in een universum dat zichzelf slechts bij toeval herkent in ons bewustzijn? De ruimte, zogenaamd objectief en mathematisch ordentelijk, is misschien niets dan het gladgestreken oppervlak van een storm die zich elders voltrekt — buiten het zicht, buiten het begrijpen, misschien zelfs buiten het zijn zelf.

Onze gedachten, die zich vormen als broze bruggen tussen binnenwereld en buitenwereld, zijn niet anders dan pogingen om de wirwar van illusies enigszins begaanbaar te maken — maar wat als de bruggen zelf deel zijn van het doolhof? Wat als de uitgang niet bestaat omdat het hele systeem is opgebouwd uit zichzelf weerspiegelende muren, waarin elke stap voorwaarts slechts een herhaling is van een eerdere vergissing, slechts anders verlicht, anders betwijfeld? En misschien is het juist in die schaduw — die schaduw van een vrouw die de cactus tegen zich aandrukt als een geliefde of een vloek — dat de waarheid zich verschuilt, niet als een antwoord, maar als een vraag die weigert op te lossen.

Zo rest ons slechts het knarsende besef dat de werkelijkheid niet opheldert, dat het licht haar niet bevrijdt, en dat onze pogingen om haar te vatten slechts resoneren in de dieptes van een vormloze stilte, waarin zelfs de echo verdwijnt.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder