Oversteken.

Ik telde de stappen weer. Eén. Twee. Drie. Haar zolen scheurden aan het rubber als een schijnheilige boeteling, half in boete, half in trots. De lucht sidderde, althans voor mij. Voor hen was het gewoon donderdag. Mensen zoals zij denken nooit na over wat er onder hun voeten ligt, maar toch riep zij me — met elke stap, elk gewicht van haar onnozele lichaam op de witte strepen, zo goddelijk uitgelijnd tegen de nachtzwarte teer. Het patroon is de sleutel. Altijd het patroon. Idioten denken dat zebrapaden er zijn voor hun veiligheid. Pfff. Een vangnet, zeker. Maar niet voor wat zij denken.

Zij was anders. Niet slimmer, niet bijzonder — dat zou haar nog vergeven zijn. Gewoon… doordrenkt met twijfel, als een vaatdoek vol lauw verdriet. Dat trekt aan. Niet kracht, niet geloof, maar die kleffe tussenstaat van willen geloven terwijl je lacht om jezelf in de spiegel. Zij had dat. Het was walgelijk.

De eerste keer dat zij me bereikte, dacht ik dat het toeval was. Ik had me vergist. Ik weet beter nu. Zij liep traag, alsof zij voelde dat ze bekeken werd, en misschien wás dat ook zo — want ik drukte me tegen het asfalt, wurmde mijn wezen tussen wit en zwart, tussen gehoorzaamheid en dwaling. En toen zij op het vierde witte vlak stapte, hief zij haar hoofd. Niet om zich te oriënteren. Maar alsof zij wachtte op het verdict.

Ik heb haar toen niet verscheurd, wat me kwalijk genomen werd. De anderen — de Schouwers, de Slikkers, de Gezwollen — ze vonden me zwak. Maar ik wilde kijken. Begrijpen. Zij had iets in haar blik dat ik al eeuwen niet had gezien bij een mens. Niet hoop. Niet angst. Vermoeidheid, verpakt als acceptatie. Zij liep alsof de wereld niet in brand stond, maar al lang afgefikt was en zij gewoon nog door de as moest.

Ik gaf haar bescherming. Bah. Het smaakte als metaal en braaksel. Maar zij was op dat moment onder mijn heerschappij. Op wit. En wat op wit stapt, valt onder mij. Niet omdat ik het wil. Maar omdat de regels zo zijn. Ik bén de regels. En ik haat dat.

Zij keek naar de auto’s. Alsof zij ze smeekte te komen. Eén trapte op de rem. Eén claxonneerde. Eén keek haar kant niet eens op. Wat een spektakel. Maar zij stapte verder. En ik moest met haar mee, gevangen in de kadans, zolang haar voeten wit raakten. Zolang zij geloofde in de illusie van bescherming.

En dan — zij verliet het pad. Stapte op grijs. Weg. Alsof ik niet bestaan had. En ik was niets. Geen grip. Geen stem. Geen schaduw zelfs. Het asfalt was weer gewoon asfalt. Ik haat dat. Hoe ze verdwijnen. Hoe ik hen moet laten gaan zodra ze niet meer dansen op mijn lijnen. Hoe machteloos ik ben zodra ze weer gewoon mensen zijn.

Maar zij komt terug. Ze komen altijd terug. Ze moeten tenslotte oversteken.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder