Het is maandagochtend – of beter gezegd: een maandagochtendachtig aanvoelende constructie van tijd en ruimte waarin de realiteit haar scherpte verliest – en middenin dit grijze niemandsland van stilte, halfvolle koffiekopjes en verfrommelde to-do lijstjes, staat hij daar: de tweedehands kinderstoel, type 'kinderen 1-3 jaar', een werktuig van opvoedkundige hoop, huiselijke wanorde en de taaie restanten van appelmoes. Niet nieuw, nooit geweest, en toch onuitroeibaar, staat hij als een houten relikwie van kruimelige ochtenden en driftbuien in miniformaat, zijn zitting nog doordrenkt van het residu van ontelbare ontbijtgranen, die ondanks menig schrobbeurt een soort archeologische sedimentlaag zijn gaan vormen. Zijn rugleuning helt op onnatuurlijke wijze achterover, niet uit mechanisch onvermogen, maar omdat hij al te vaak dienst heeft gedaan als lanceerplatform voor peuters die plots besloten dat stilzitten een ideologische gevangenis is.
