Verdwalen.

Er zijn veel manieren om te verdwalen. Je kunt verdwalen in een bos, zoals sprookjesfiguren doen. Je kunt verdwalen in gedachten, zoals filosofen dat pretenderen. Maar er bestaat een veel subtielere, veel verraderlijkere manier van verdwalen: verdwalen in taal. In woorden. In zinnen die zich als gangen van een imaginaire kathedraal aaneenrijgen, eindeloos kronkelend, leidend naar niets – of juist naar iets wat te vaag is om opzettelijk te lijken. En in die taal, in dat zinnenlabyrint, vinden we de lezer. Of beter gezegd: de illusie van een lezer, want wat is een lezer nog, als hij zichzelf niet meer begrijpt? Deze lezer – laten we hem voor het gemak een naam geven, misschien iets knulligs, iets anoniems zoals de lezer – bevindt zich in een staat van permanente onzekerheid. Niet omdat hij dom is. Nee, verre van. Deze lezer is slim genoeg om te weten dat hij niet snapt wat er gebeurt. Hij voelt zich cultureel verplicht om te blijven lezen, om door te zetten, om verbanden te leggen tussen metaforen die lijken te verwijzen naar symbolen die dan weer echoën met concepten die misschien, heel misschien, verwijzen naar iets wat ooit een idee was. En dus leest hij door. Zinnen worden gelezen, omgedraaid, herlezen. Hij aarzelt bij bijwoorden. Hij noteert bijvoeglijke naamwoorden alsof ze aanwijzingen zijn in een verdwijningszaak. Hij zoekt naar structuur in chaos, betekenis in rook, orde in een typografische tornado. Het profiel van deze lezer is als een psychologische röntgenfoto van existentiële koppigheid.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands