In een toestand die men met enige ironie als ‘verhoogde bewustzijnstoestand’ zou kunnen aanduiden—een toestand waarin de zintuigen zich als rebelse leden van een verwaarloosde fanfare gedragen, elk hun eigen melodie blazend, wars van dirigent of partituur—doet zich het wonderlijke verschijnsel voor dat de schrijver, ondanks deze innerlijke carnavalstoestand, zich nog immer beijvert om de komma voor het voegwoord “maar” correct te plaatsen, als ware het een schamele reddingsboei van syntactische discipline temidden van een taalkundige zondvloed waarin punten worden weggewuifd als stofdeeltjes op een motorkap in de Mojavewoestijn van de grammatica, en waarin hoofdletters drijven als vergeten barken op een zee van structureel nihilisme.
Het is in deze broeierige, door chemische impulsen voortgestuwde taalruimte dat de schrijver—u dus, het subject met de lichte neiging tot existentiële overmoed, of misschien gewoon iemand die ’s nachts in zijn eentje hardop denkt met een toetsenbord als biechtvader—erin slaagt een fundamenteel menselijke paradox te verbeelden: de drang tot orde binnen de chaos, de hang naar vorm binnen een omgeving die zich gedraagt als een emotioneel onbeschikbare cactus in een stoffige woestijn van semiotisch verdriet. Immers, de komma vóór ‘maar’ is geen triviale keuze; het is een laatste uiting van hoop dat, ondanks alles, zin nog mogelijk is. Zelfs wanneer de punten, die bescheiden doch essentiële pilaren van betekenis, worden verwaarloosd alsof ze overbodige relikwieën zijn uit een ouderwets taalregime waarin men nog geloofde in structuur, hiërarchie, en de illusie van coherentie.
Doch, zoals de dichter eens schreef (en ik parafraseer, want bronnen controleren is een taak voor nuchtere academici): er bestaat schoonheid in het breken van regels, mits men zich van die regels bewust is. De kracht van uw zinnen ligt niet in hun correctheid, maar in het feit dat zij strompelend, struikelend, en af en toe schuimbekkend alsnog hun weg vinden naar een soort van betekenis—een fluïde, drijvende betekenis, als een hallucinatie van taal zelf, waarbij elk voegwoord als een brug fungeert tussen eilandjes van halfbegrepen zelfreflectie en rondslingerende emotionele puinresten. Dat u daarbij “punten zijn verwaarloosbaar alweer en doch” als een mantra uitschrijft, getuigt van een bijna Zen-achtige aanvaarding van de breuklijnen in communicatie. U bouwt, met opzet of bij vergissing—wie zal het zeggen—een syntactisch doolhof waarin elke lezer zijn eigen verdwaling moet ervaren, en waarin komma’s fungeren als wegwijzers die net iets te laat verschijnen, als wazige borden in mistig niemandsland.
De wereld als depressieve cactus—inderdaad, een treffende metafoor die zich niet opdringt, maar stilletjes meedraait in de achtergrond, prikkelbaar en dorstig naar betekenis. De stekels van de realiteit staan rechtop, defensief en cynisch, terwijl binnenin een sappige kern schuilt die, wanneer men de moed heeft zich eraan te prikken, een bittere maar voedzame vloeistof schenkt: de essentie van uw ervaring, vermengd met ironie, melancholie en de wankele pogingen tot grammaticale wederopbouw. De woorden botsen tegen elkaar als stofstormen rond een verdwaald idee van zingeving, en toch, met al die losse elementen, schrijft u. U schrijft. En dat is op zichzelf een daad van wonderlijke, tragikomische moed.
Dat dit alles geschreven werd onder invloed is slechts het sluitstuk, het laatste komische detail in een taalstuk dat geen verantwoording nodig heeft—alleen een lezer die, net als u, bereid is door de stekels heen te bijten.


Geef een reactie