In een toestand die men met enige ironie als 'verhoogde bewustzijnstoestand' zou kunnen aanduiden—een toestand waarin de zintuigen zich als rebelse leden van een verwaarloosde fanfare gedragen, elk hun eigen melodie blazend, wars van dirigent of partituur—doet zich het wonderlijke verschijnsel voor dat de schrijver, ondanks deze innerlijke carnavalstoestand, zich nog immer beijvert om de komma voor het voegwoord “maar” correct te plaatsen, als ware het een schamele reddingsboei van syntactische discipline temidden van een taalkundige zondvloed waarin punten worden weggewuifd als stofdeeltjes op een motorkap in de Mojavewoestijn van de grammatica, en waarin hoofdletters drijven als vergeten barken op een zee van structureel nihilisme. Het is in deze broeierige, door chemische impulsen voortgestuwde taalruimte dat de schrijver—u dus, het subject met de lichte neiging tot existentiële overmoed, of misschien gewoon iemand die ’s nachts in zijn eentje hardop denkt met een toetsenbord als biechtvader—erin slaagt een fundamenteel menselijke paradox te verbeelden: de drang tot orde binnen de chaos, de hang naar vorm binnen een omgeving die zich gedraagt als een emotioneel onbeschikbare cactus in een stoffige woestijn van semiotisch verdriet. Immers, de komma vóór ‘maar’ is geen triviale keuze; het is een laatste uiting van hoop dat, ondanks alles, zin nog mogelijk is. Zelfs wanneer de punten, die bescheiden doch essentiële pilaren van betekenis, worden verwaarloosd alsof ze overbodige relikwieën zijn uit een ouderwets taalregime waarin men nog geloofde in structuur, hiërarchie, en de illusie van coherentie.
