Ergens Anders.

…of ben je niet in het hotel en heel ergens anders, op een plek waar de vloeren ademhalen en de trappen af en toe besluiten zichzelf te verplaatsen? De kamerdeur waar je net door liep bestaat misschien niet meer; ze heeft zich teruggetrokken in een muur en bloeit nu als een kastanjebruine bloem, geurend naar herinneringen van andere mensen.

Je loopt verder, maar het tapijt onder je voeten verandert in een droge rivierbedding vol postzegels en vergeten verjaardagen. De lamp aan het plafond knippert in morsecode: “blijf niet te lang, de kamer raakt gehecht.” Iemand — of iets — ademt in het behang. Niet eng, gewoon praktisch. Een kamer moet nu eenmaal weten wie je bent, zodat ze zich kan aanpassen aan je dromen, je angsten, je lichaamsgeur in juni.

Er hangt een klok aan de muur, maar de wijzers zijn vervangen door twee uitgestrekte vingers die wijzen naar de plek waar je vroeger dacht dat je was. De tijd daar is gestold, als jam op een servet in een ontbijtzaal die misschien een ziekenhuis is, of een gevangenis, of de binnenkant van je schedel als je droomt over koffers die zichzelf in- en uitpakken.

Iemand fluistert je naam in een taal die nog niet bestaat. Misschien is het de conciërge, of een echo van een echo. De lift staat stil op de derde verdieping en weigert sindsdien dienst. Ze wil geen passagiers meer, zegt ze, ze wil enkel naar beneden vallen, langzaam, en zich overgeven aan de zwaartekracht als een lange, mechanische zucht.

Er staat een kamerplant in de gang, met ogen. Ze knippert soms als je kijkt, maar beweegt nooit als je het zou kunnen bewijzen. Je vraagt haar of dit nog steeds het hotel is. Ze lacht niet, maar verliest een blad in de vorm van een sleutel.

De muren hier zijn gevuld met gesprekken die nooit zijn gevoerd, een kloppend archief van wat mensen dachten maar niet zeiden. Als je heel stil staat, hoor je iemand zich verontschuldigen voor iets wat jij nooit hebt gedaan.

Misschien ben je ergens buiten het hotel, in een corridor tussen twee mogelijkheden. De lucht hier ruikt naar natte lucifers en vergeelde ansichtkaarten. Je stapt een kamer binnen en het bed schudt even, alsof het blij is je weer te zien. Op het nachtkastje ligt een briefje dat beweert geschreven te zijn door je toekomstige zelf: “Wees gerust, dit alles is tijdelijk. Jij, minder.”

Je lacht. Of huilt. Of smelt in een stoel gemaakt van flarden verleden. De kamer glimlacht terug, heel langzaam, via de plooien van de gordijnen. Iemand klopt. Iemand klopt. Iemand klopt.

…of ben je niet in het hotel en heel ergens anders.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder