…of ben je niet in het hotel en heel ergens anders, op een plek waar de vloeren ademhalen en de trappen af en toe besluiten zichzelf te verplaatsen? De kamerdeur waar je net door liep bestaat misschien niet meer; ze heeft zich teruggetrokken in een muur en bloeit nu als een kastanjebruine bloem, geurend naar herinneringen van andere mensen. Je loopt verder, maar het tapijt onder je voeten verandert in een droge rivierbedding vol postzegels en vergeten verjaardagen. De lamp aan het plafond knippert in morsecode: “blijf niet te lang, de kamer raakt gehecht.” Iemand — of iets — ademt in het behang. Niet eng, gewoon praktisch. Een kamer moet nu eenmaal weten wie je bent, zodat ze zich kan aanpassen aan je dromen, je angsten, je lichaamsgeur in juni. Er hangt een klok aan de muur, maar de wijzers zijn vervangen door twee uitgestrekte vingers die wijzen naar de plek waar je vroeger dacht dat je was. De tijd daar is gestold, als jam op een servet in een ontbijtzaal die misschien een ziekenhuis is, of een gevangenis, of de binnenkant van je schedel als je droomt over koffers die zichzelf in- en uitpakken.
