Er zweefde een stoel. Een doodgewone, houten stoel. Niet met vleugels of touwen, geen trucage. Een stoel, ergens halverwege lucht en logica, boven een zebrapad. En toch liep ik door.
Wat had ik moeten doen? Stoppen? Mijn hoofd in de nek gooien, wijzen, roepen, mensen alarmeren? Foto’s maken, liken, posten, hashtaggen? Nee. Ik koos voor iets anders: ontkenning. Een daad op zich. Elegant in zijn eenvoud. Geroemd in zijn afwezigheid.
Want laten we eerlijk zijn: zodra je toegeeft aan het onverklaarbare, verlies je grip op alles wat zogenaamd ‘normaal’ is. Een zwevende stoel opent de deur naar vragen waarvoor niemand een fatsoenlijk antwoord heeft. En dat wilde ik niet. Niet op maandagochtend. Niet met een koffie to go in mijn hand. Niet met werk in mijn hoofd.
Ik keek dus weg. Geen stoel. Geen zweven. Niks aan de hand.
En het stoplicht? Dat stond op rood, ja. Maar wat weegt zwaarder: een verkeersregel of het dreigende gewicht van betekenis geven aan iets dat zich daaraan onttrekt? Die stoel, los van zwaartekracht en burgerzin, had mij al bevrijd van de gewone wetten. Waarom zou ik dan nog stoppen?
Ik stak over. Alsof ik niets zag. Omdat ik niets wilde zien. Omdat het soms veiliger is om te leven in een wereld waarin stoelen niet vliegen en zebrapaden slechts strepen zijn.
Sommigen noemen dat lafheid. Ik noem het zelfbescherming. Misschien zelfs volwassenheid.
Want als stoelen beginnen te zweven, dan is niks meer zeker. En dan is het maar beter om door te lopen.


Geef een reactie