Er bestaat een handeling, een haast vergeten en tegelijkertijd verontrustend alledaags gebaar, dat zich als een onzichtbare draad door het weefsel van de menselijke interactie slingert, een gebaar dat, wanneer het collectief en met een zekere onvermijdelijkheid wordt uitgevoerd, een beklemmend besef van onderlinge afhankelijkheid en onuitgesproken wanhoop blootlegt: het aanraken van de elleboog van de persoon naast je, een gebaar dat, in zijn ogenschijnlijke eenvoud, de geladen en verwarde drang naar verbondenheid in een wereld die langzaam desintegreert, weerspiegelt.
Elke ochtend, als de dag zich opent als een wankele, halfverlichte corridor van verplichtingen, ontwaakt men met een niet te onderdrukken besef dat het lichaam slechts een voertuig is voor de cyclische herhaling van betekenisloze rituelen, en toch, ondanks deze ontmoedigende realisatie, beweegt men zich door de straten, de gangen, de ruimtes waar anderen zich met dezelfde matte, ingestudeerde bewegingen voortbewegen, zich onbewust van het feit dat ze als schimmen in een choreografie verkeren, een dans van lichaam en leegte, een voortdurende herhaling van aanraking en terugtrekking. En daar, op dat dwingende moment, dat als een mechanische puls terugkeert, vindt het plaats: de elleboog, licht gebogen, onschuldig genoeg in zijn functie, wordt aangeraakt, vluchtig en toch geladen met een gewicht dat niet onmiddellijk te bevatten is, een moment waarin huid, stof en botten zich kortstondig verstrengelen in een onuitgesproken wanhoop die geen woorden behoeft.
Het is in de trein, waar de massa zich als een ademende entiteit voortstuwt, dat de aanraking zich vermenigvuldigt, een kettingreactie van lome vermoeidheid en gedeelde uitputting, waarin de elleboog geen enkel verzet meer biedt, maar zich onderwerpt aan het collectief en de dwingende logica van het moment. In vergaderzalen, waar de lucht bezwangerd is met de doffe geur van lauwe koffie en het onontkoombare besef dat tijd slechts een constructie is, herhaalt het zich – het subtiele, onvermijdelijke contact, een manier om, zonder het te willen, zonder het werkelijk te begrijpen, te bevestigen dat men nog bestaat binnen de grenzen van een systeem waarin individualiteit langzaamaan oplost.
Maar het is vooral ’s avonds, wanneer men zich, omringd door een publiek dat zichzelf nauwelijks nog herkent, in de theaterstoelen laat zakken, of in een café waar gesprekken verworden tot ruis en glazen de enige betekenisvolle entiteiten lijken te zijn, dat de aanraking van de elleboog van de persoon naast je iets onheilspellends krijgt, alsof men een lijn overschrijdt zonder te weten of er aan de andere kant nog vaste grond is. Want uiteindelijk, in de repetitieve, bijna dwangmatige aard van dit gebaar, wordt iets blootgelegd wat men liever niet onder ogen ziet: dat de aanraking geen troost biedt, geen bevestiging, geen werkelijke nabijheid, maar slechts een leeg houvast, een schrale poging om zich vast te klampen aan het verdwijnende besef dat er ooit een tijd was waarin contact iets betekende, waarin aanraking niet slechts een mechanisme was, maar een vorm van erkenning, een handreiking naar iets wat allang uit het collectieve geheugen is gegleden.


Geef een reactie