Het is een doordeweekse middag, zo’n middag waarop het leven een beetje stilstaat, de tijd zich uitrekt als een dromerige sluier over het park, waar de bomen loom hun takken strekken naar een vergeefse hemel. En daar, bijna onopgemerkt, zweeft een rood vierkant, net boven het gras, alsof het altijd al daar is geweest, als een geometrische geheimzinnigheid, roerloos, maar toch vol van een stille energie, een raadsel dat wacht om ontrafeld te worden, onzichtbare draden spinnend naar de toevallige voorbijgangers die hun wandelingen onderbroken zien door dit absurde schouwspel.
En toch, wat misschien het meest merkwaardige is, zijn niet de mensen die voorbijkomen, zich even verwonderd achter het oor krabben en dan verder lopen, alsof het niets meer is dan een tijdelijke optische illusie, een flikkering van het zonlicht in hun ogen. Nee, het is de groep bejaarden, met rollators, kromme ruggen en grijze haren, die langzaam maar vastberaden hun weg zoeken naar dit rode, zwevende object. Ze naderen het met een ernst die doet vermoeden dat ze iets begrijpen wat de rest van ons niet ziet, alsof ze een innerlijke roeping volgen, een fluistering die alleen voor hen bestemd is, een uitnodiging tot een soort transcendentale verlossing.
Onder het vierkant staan ze stil, kijken omhoog met ogen die meer hebben gezien dan wij ooit zullen begrijpen, en één voor één beginnen ze zich te bukken, voorzichtig, hun rimpelige handen zoekend naar een plek onder het vierkant. Het lijkt bijna een ritueel, een stille ceremonie, waarin het alledaagse opeens iets magisch wordt, een terugkeer naar een kinderlijke staat van verwondering, alsof dit vierkant hen belooft terug te brengen naar een wereld van eenvoud, zonder de zwaarte van de jaren die hen nu neerdrukt. De rollators worden haastig opzij geschoven, en daar, op hun knieën, onder het zwevende vierkant, wachten ze op iets. Wat precies, weten ze misschien zelf niet eens, maar hun ogen spreken van hoop, van een verlangen om nog eenmaal de wetten van deze wereld te tarten, om op te stijgen naar een werkelijkheid waar tijd niet langer heerst.
En zo blijft het vierkant zweven, onaangedaan door de mensen onder zich, alsof het zich niet bewust is van de kleine menigte die zich verzamelt in zijn schaduw. Het blijft daar hangen, als een open einde in een verhaal dat nooit verteld zal worden, terwijl de bejaarden daaronder blijven wachten, stil, zonder woorden, in een gedeelde verwondering, alsof zij al weten wat er gaat komen, terwijl de rest van ons alleen maar kan kijken en gissen, en ons afvragen wat we missen in die vreemde dans van mensen en vormen, en of wij misschien ooit, heel misschien, ook eens de moed zullen vinden om te bukken en te wachten onder het rode vierkant.


Geef een reactie