Het is een doordeweekse middag, zo’n middag waarop het leven een beetje stilstaat, de tijd zich uitrekt als een dromerige sluier over het park, waar de bomen loom hun takken strekken naar een vergeefse hemel. En daar, bijna onopgemerkt, zweeft een rood vierkant, net boven het gras, alsof het altijd al daar is geweest, als een geometrische geheimzinnigheid, roerloos, maar toch vol van een stille energie, een raadsel dat wacht om ontrafeld te worden, onzichtbare draden spinnend naar de toevallige voorbijgangers die hun wandelingen onderbroken zien door dit absurde schouwspel. En toch, wat misschien het meest merkwaardige is, zijn niet de mensen die voorbijkomen, zich even verwonderd achter het oor krabben en dan verder lopen, alsof het niets meer is dan een tijdelijke optische illusie, een flikkering van het zonlicht in hun ogen. Nee, het is de groep bejaarden, met rollators, kromme ruggen en grijze haren, die langzaam maar vastberaden hun weg zoeken naar dit rode, zwevende object. Ze naderen het met een ernst die doet vermoeden dat ze iets begrijpen wat de rest van ons niet ziet, alsof ze een innerlijke roeping volgen, een fluistering die alleen voor hen bestemd is, een uitnodiging tot een soort transcendentale verlossing.
