De regen striemt neer met de wreedheid van een wereld die zijn tanden in mijn dromen heeft gezet. Mijn vingers beven als ik het luciferdoosje open, de kartonnen doos nat en zacht als oud verdriet. Het vuur wil niet meewerken, het verzet zich, alsof het begrijpt dat elke vlam een stukje van mijn ziel opslokt. Ik schraap de lucifer langs het doosje, maar hij breekt als een belofte die nooit uitkwam. Nog een poging. De regen lacht me uit, terwijl ik wanhopig blijf proberen. Iedere vonk die oplicht en meteen dooft is een ode aan mijn volharding, een macabere dans van licht en water. Het genot ligt niet in het gemak, maar in het gevecht – het gevecht tegen de elementen, tegen mijn eigen verlangen dat me als een hond opjaagt.
