Vierkant.

…en dus beweegt zij zich door kamers die altijd vierkant lijken te zijn, zelfs wanneer de muren krommen onder sociale verwachtingen en de vloer wiebelt van impliciete bedoelingen; zij, wier manier van kijken nooit bedoeld was als afwijzing maar als precisie, als een soort morele plicht tot duidelijkheid, want hoe kan men zich oriënteren als alles voortdurend beweegt behalve de zwaartekracht van de logica? Zij wacht niet op een gevoel, zij wacht op een patroon, een bevestiging, een herhaling, iets dat klopt, zoals een reeks voetstappen die met exacte tussenpozen weerkaatsen op een gladde vloer — daar ligt veiligheid, en dus waarheid, en dus realiteit. De anderen, altijd in beweging, spreken in taal die schommelt tussen betekenis en gebaar, alsof hun woorden meer klank zijn dan structuur, en terwijl zij lachen op het verkeerde moment en hun ogen glijden langs onzichtbare punten van betekenis, probeert zij het te begrijpen door de dingen op te schrijven, te tekenen, schema’s te maken waarin hun grilligheid vastgelegd kan worden in vormen die zich tenminste aan hun eigen logica houden. En zo ontstaat het vierkant — een mentale ruimte, niet werkelijk hard of koud, maar ook niet vloeibaar — met afgeronde hoeken die toestaan dat wat buigzaam is zich toch laat vangen, al is het maar voor een moment, voor observatie, voor verwerking, voor een poging tot contact die niet steunt op gevoel maar op decodering.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands