Banaan.

Er lag een banaan op een bord, midden in een keuken die allang de wil om ordelijk te zijn had opgegeven. De muren waren dof van vet, het licht trilde onvast, alsof de lamp zelf twijfelde of ze nog moest branden. Buiten klonk het verre dreunen van een wereld die instortte – maar hier, tussen de lege blikjes, de halflege glazen en het kruimelstof, lag hij. De laatste banaan. Zijn schil glansde dofgeel, met plekken van bruin als littekens van een lange strijd. Aan zijn zijde kleefde nog een klein stickertje – rond, blauw, onwrikbaar. Een merkteken van een beschaving die dacht dat alles controleerbaar was. Dat men fruit kon labelen, ordenen, benoemen. Nu was dat stickertje een relikwie van arrogantie. De banaan voelde het als een last: bewijs dat hij niet vrij was, zelfs niet aan het einde van alles. De wind door het gebroken keukenraam deed het gordijn bewegen als een vlag van een gevallen rijk. De geur van verbrand brood hing zwaar in de lucht. Ergens tikt nog een klok, maar de wijzers staan stil. En de banaan – hij ligt, hij wacht. Zijn tijd is bijna gekomen, maar niet zoals vroeger, niet als voedsel. Nee, hij is getuige nu. Laatste getuige van het gewone.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands